Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR7380

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/1100 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij bezwaar tegen AOW-pensioenbesluit

Appellant stelde bezwaar in tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank waarin hem een ouderdomspensioen van 96% van het volledige AOW-pensioen werd toegekend. Het bezwaar werd ingediend na de wettelijke termijn van zes weken, omdat appellant op vakantie was en pas na terugkomst het besluit onder ogen kreeg.

Appellant voerde aan dat hij verrast was door het besluit, geen idee had hoe een bezwaarschrift te schrijven en pas na advies van het Nederlandse consulaat bezwaar kon maken. Tevens stelde hij dat post vanuit Nederland lang onderweg is en hij geen hulp had vanwege taalbarrière.

De Raad oordeelde dat de termijn voor bezwaar zes weken bedraagt en dat appellant onvoldoende maatregelen had getroffen om tijdig bezwaar te maken tijdens zijn afwezigheid. Volgens vaste jurisprudentie moet een betrokkene die langere tijd afwezig is adequate maatregelen treffen om zijn belangen te behartigen. De termijnoverschrijding werd daarom niet verschoonbaar geacht.

De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het bezwaar niet-ontvankelijk is wegens termijnoverschrijding en wees het hoger beroep af. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het AOW-pensioenbesluit is niet tijdig ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

04/1100 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Australië), appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2004, nr. AWB 03/2459 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 15 oktober 2004, waar appellant -met voorafgaand bericht- niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 25 november 2002 is aan appellant met ingang van april 2003 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte van 96% van het volledige AOW-pensioen.
Tegen dit besluit heeft appellant bij per fax verzonden brief van 12 februari 2003, ontvangen door gedaagde op 13 februari 2003, bezwaar aangetekend.
Bij besluit van 25 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, nu het bezwaarschrift te laat was ingediend en van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake was.
De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde onderschreven.
Appellant heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat hij van 18 december 2002 tot en met 21 januari 2003 met vakantie was en hij gedaagdes besluit van 25 november 2002 eerst op 22 januari 2003 onder ogen kreeg. Appellant was totaal verrast door de inhoud van het besluit en had geen idee hoe hij een bezwaarschrift moest schrijven. Appellant heeft dan ook eerst advies gevraagd aan het Nederlandse consulaat. Uiteindelijk kon hij eerst op 12 februari 2003 een bezwaarschrift schrijven. Voorts is naar voren gebracht dat er geen rekening mee wordt gehouden dat post vanuit Nederland lang onderweg is, waardoor weinig tijd overblijft om te reageren. Verder heeft appellant gesteld dat niemand in zijn omgeving Nederlands spreekt en post voor hem kan verzamelen.
De Raad overweegt als volgt.
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken. Nu appellant eerst bij schrijven van 12 februari 2003 bezwaar heeft aangetekend tegen het besluit van 25 november 2002, moet met de rechtbank worden geoordeeld dat het bezwaar niet tijdig is ingesteld. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of er aanleiding bestaat om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar op grond van termijnoverschrijding achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest. In hetgeen appellant daartoe heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om in het onderhavige geval de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad, onder meer neergelegd in zijn uitspraak van 13 augustus 2002, gepubliceerd in USZ 2002/290, dient een betrokkene die voor een langere tijd afwezig is, toereikende maatregelen te treffen ter behartiging van de eigen belangen. Als wordt nagelaten om adequate maatregelen te treffen om tegen een of meer eventueel in de vakantie te ontvangen besluiten tijdig bezwaar -op al dan niet nader aan te geven gronden- aan te tekenen, moet dit voor rekening van de betrokken verzekerde blijven. Dit klemt temeer indien de betrokkene, zoals in casu, een besluit kan verwachten.
Appellant is bij brief van 15 augustus 2002 meegedeeld dat de beschikking over zijn recht op pensioen hem zal worden toegezonden vóór 15 maart 2003. Appellant is evenwel op vakantie gegaan zonder de hiervoor omschreven maatregelen te treffen.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 november 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.