ECLI:NL:CRVB:2004:AR7398
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen beëindiging nabestaandenpensioen ANW wegens verzoek AOW-pensioen
Appellante kreeg een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot. Zij verzocht de Sociale verzekeringsbank om een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) vanaf haar 65e verjaardag. De Sociale verzekeringsbank beëindigde haar ANW-uitkering per 30 juni 2002 en wees haar verzoek om AOW-pensioen af, omdat zij nooit in Nederland had gewoond of gewerkt.
Appellante stelde beroep in tegen de beëindiging van haar ANW-uitkering, maar het geschil spitste zich toe op haar wens om een AOW-pensioen te verkrijgen. De rechtbank verklaarde haar beroep niet-ontvankelijk omdat zij niet de beëindiging van de ANW-uitkering aanvocht. De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak en oordeelde dat appellante geen belang had bij het beroep omdat het door haar beoogde AOW-pensioen niet via dit beroep verkregen kon worden.
De Raad vond geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigde de niet-ontvankelijkheid. Het beroep is daarmee definitief afgewezen, waarmee de beëindiging van het nabestaandenpensioen ongewijzigd blijft.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet de beëindiging van haar ANW-uitkering aanvecht maar een AOW-pensioen wenst.