ECLI:NL:CRVB:2004:AR7398

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4827 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenAlgemene nabestaandenwet (ANW)Algemene Ouderdomswet (AOW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen beëindiging nabestaandenpensioen ANW wegens verzoek AOW-pensioen

Appellante kreeg een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot. Zij verzocht de Sociale verzekeringsbank om een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) vanaf haar 65e verjaardag. De Sociale verzekeringsbank beëindigde haar ANW-uitkering per 30 juni 2002 en wees haar verzoek om AOW-pensioen af, omdat zij nooit in Nederland had gewoond of gewerkt.

Appellante stelde beroep in tegen de beëindiging van haar ANW-uitkering, maar het geschil spitste zich toe op haar wens om een AOW-pensioen te verkrijgen. De rechtbank verklaarde haar beroep niet-ontvankelijk omdat zij niet de beëindiging van de ANW-uitkering aanvocht. De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak en oordeelde dat appellante geen belang had bij het beroep omdat het door haar beoogde AOW-pensioen niet via dit beroep verkregen kon worden.

De Raad vond geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigde de niet-ontvankelijkheid. Het beroep is daarmee definitief afgewezen, waarmee de beëindiging van het nabestaandenpensioen ongewijzigd blijft.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet de beëindiging van haar ANW-uitkering aanvecht maar een AOW-pensioen wenst.

Uitspraak

03/4827 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellante is op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2003, reg.nr. AWB 02/3243 Anw, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 oktober 2004, waar beide partijen met kennisgeving niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft appellante in verband met het overlijden van haar echtgenoot een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) toegekend.
Appellante heeft gedaagde bij brief van 26 december 2000 verzocht haar te informeren over haar recht op een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) als zij 65 jaar wordt. Tevens heeft appellante gedaagde bij een brief van gelijke datum verzocht om toezending van een formulier AOW verzekeringen vanaf 1 januari 2000 (een formulier vrijwillige verzekering).
Gedaagde heeft appellante bij brief van 2 juli 2001 medegedeeld dat haar recht op een nabestaandenuitkering ingevolge de ANW ingaande 1 juli 2002 wordt beëindigd omdat zij dan 65 jaar wordt. Voorts heeft gedaagde appellante medegedeeld dat zij geen recht heeft op een ouderdomspensioen omdat zij nimmer in Nederland gewoond of gewerkt heeft, maar dat appellante alvorens bezwaar te maken eerst de officiële afwijzingsbeschikking moet afwachten. Bij besluit van 20 september 2001 heeft gedaagde de uitkering krachtens de ANW van appellante per 30 juni 2002 beëindigd en bij besluit van 20 juni 2002 heeft gedaagde geweigerd een ouderdomspensioen aan appellante toe te kennen.
Bij het bestreden besluit van 12 juni 2002 heeft gedaagde het door appellante gemaakte bezwaar tegen zijn primair besluit van 20 september 2001 ongegrond verklaard.
Appellante is van dit besluit in beroep gekomen, daartoe aanvoerde:
" Volgens de betreffende beschikking, mijn recht op Anw-uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand waarin ik 65 jaar zal worden op 01-07-2002, ik ben eens met deze beschikking, maar ik verzocht sociale verzekeringsbank om AOW-uitkering aan mij te verstrekken na mijn 65 jarige op 01-07-2002.
In ieder geval, ik wil graag een AOW-uitkering krijgen vanaf 01-07-2002 zoals de andere vrouwen die 65 jaar zijn geworden omdat mijn echtgenoot voor dat hij overleden is was verzekerd voor Anw/Aow."
De rechtbank heeft het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, daartoe – kort gezegd – overwegende dat het beroep van appellante niet gericht is tegen de stopzetting van haar nabestaandenuitkering ingevolge de ANW.
Appellante heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat zij een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) wil ontvangen.
De Raad overweegt als volgt.
Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank appellante terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep tegen het bestreden besluit van 12 juni 2002. De Raad overweegt hiertoe dat het geschil zich gelet op de inhoud van het bestreden besluit toespitst op de beëindiging van het aan appellante ingevolge de ANW toegekende nabestaandenpensioen, terwijl appellante met haar beroep niet heeft beoogd deze beëindiging aan te vechten. Appellante beoogde blijkens haar beroepschrift immers een ouderdomspensioen ingevolge de AOW te verkrijgen. Nu hetgeen door appellante met het door haar ingestelde beroep wordt beoogd te verkrijgen in dit geding niet verkregen kan worden, acht de Raad, evenals de rechtbank, het beroep van appellante wegens het ontbreken van belang niet-ontvankelijk.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 november 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.