Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR7416

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/501 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burgeroorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld

Eiser, geboren in 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in 2003 erkenning als burgeroorlogsslachtoffer op grond van gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan zijn oorlogservaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode. De Pensioen- en Uitkeringsraad wees zijn aanvraag af omdat niet was aangetoond dat eiser direct getroffen was door oorlogsgeweld zoals vereist in artikel 2 van Pro de Wet.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de door eiser aangevoerde omstandigheden, zoals ontwrichting van het gezinsleven, armoede, huisuitzetting en het zien van geweld, onvoldoende bewijs leverden van directe confrontatie met extreem geweld. Ook de melding van het verbranden van een man en het getuige zijn van geweld tegen een Japanse soldaat werden niet als voldoende aannemelijk beschouwd of vielen niet onder de reikwijdte van de Wet.

De Raad benadrukte dat algemene oorlogsomstandigheden niet leiden tot erkenning als burgeroorlogsslachtoffer. De aanvraag werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend omdat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren.

De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de wettelijke criteria voor erkenning en benadrukt het belang van concreet bewijs van direct oorlogsgeweld.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van direct oorlogsgeweld.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/501 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 20 januari 2004, kenmerkJZ/E60/2003, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlage) heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 oktober 2004. Daar is eiser in persoon verschenen en heeft verweerster, zoals vooraf bericht, zich niet doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Eiser, geboren op 27 mei 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juli 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. Eiser heeft zijn aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar zijn mening het gevolg zijn van zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.
Bij besluit van 10 november 2003, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster op de aanvraag afwijzend beslist. Daartoe is overwogen - kort gezegd - dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser getroffen is geweest door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, b, d en f van de Wet wordt - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:
degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen
- tengevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;
- tengevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;
- tengevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat de aanvraag van eiser vooral steunt op de ontwrichting van het (gezins)leven, de armoede en de dreiging die het gezin waartoe eiser behoorde heeft ervaren tijdens en (mede) tengevolge van de Japanse bezetting en de onlusten gedurende de Bersiap-periode.
De Raad stelt, overeenkomstig zijn vaste jurisprudentie in dezen, voorop dat algemene oorlogsomstandigheden - waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan - niet zijn aan te merken als direct tegen de aanvrager gerichte handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.
Hieruit volgt ook dat het zien van onthoofde lijken in de kali niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kan leiden, waarbij in aanmerking wordt genomen dat niet is gebleken dat eiser getuige is geweest van het onthoofden.
Ten aanzien van de door eiser gemelde huisuitzetting overweegt de Raad dat, gelet op de daaromtrent door eiser gegeven beschrijving, niet is gebleken dat er sprake is geweest van confrontatie met extreem geweld als genoemd in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Wet. Voorts heeft het gezin daarna, zij het met veel moeite zoals door eiser ter zitting uiteengezet, wel vervangende woonruimte kunnen vinden.
Met betrekking tot het verbranden van een man voor de woning van eiser is de Raad van oordeel dat deze gebeurtenis niet onder de werking van de Wet kan worden gebracht, aangezien uit de stukken blijkt dat er sprake is geweest van het cremeren door medestrijders van een bij een aanval in een kampong omgekomen Ghurka.
Wat betreft het getuige zijn geweest van het doodslaan van een Japanse soldaat door een Japanse onderofficier alsmede het een gehele dag gehurkt in de zon moeten zitten als straf wegens het niet op de juiste wijze voldoen aan de groetplicht, is de Raad van oordeel dat daargelaten de vraag of een van deze gebeurtenissen onder de werking van de Wet kan worden gebracht, van deze gebeurtenissen buiten eisers eigen verklaring geen enkele bevestiging is verkregen.
Uit een en ander volgt dat de door eiser genoemde omstandigheden niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden. Daarmee is niet miskend dat eiser tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode angstige tijden heeft meegemaakt, maar de erkenning als burger-oorlogsslachtoffer is echter gebonden aan de in die wet specifiek omschreven gebeurtenissen.
Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat derhalve geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2004
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
10.11