ECLI:NL:CRVB:2004:AR7613

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4707 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:17 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad vernietigt niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens termijnoverschrijding en wijst zaak terug naar rechtbank

Appellante, een commanditaire vennootschap, stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Assen die haar beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens overschrijding van de beroepstermijn zoals bedoeld in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad oordeelde dat het besluit van 23 september 2002 niet correct was bekendgemaakt, omdat het niet aan de gemachtigde van appellante was gezonden terwijl gedaagde hiervan op de hoogte was. Hierdoor was de beroepstermijn niet op 24 september 2002 aangevangen, maar pas op 26 maart 2003 toen de gemachtigde kennis nam van het besluit.

Omdat het beroep op 29 april 2003 werd ingesteld, was er geen sprake van termijnoverschrijding. De Raad vernietigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling. Tevens werd het recht van appellante op vergoeding van betaalde proceskosten vastgesteld.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

03/4707 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de commanditaire vennootschap [naam C.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft drs. A.W. de Beer FB, werkzaam bij Alfa Accountants en Adviseurs te Wageningen, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Assen op 20 augustus 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, kenmerk 03/390, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 oktober 2004, waar appellante niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.T. van Arnhem, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
II. MOTIVERING
Bij besluit van 23 september 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen zijn besluiten van 24 mei 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante wegens overschrijding van de in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn niet-ontvankelijk verklaard.
In hoger beroep is aangevoerd dat er geen sprake is van overschrijding van de beroepstermijn, nu het besluit van 23 september 2002 slechts aan appellante en niet aan haar gemachtigde is gezonden en voorts dat, ook indien dat wel het geval zou zijn, hier om die reden sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 7:12, tweede lid, eerste volzin, van de Awb, wordt een besluit op bezwaar bekendgemaakt door toezending aan degene tot wie het is gericht. In artikel 6:17 van Pro de Awb is bepaald dat indien iemand zich laat vertegenwoordigen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval aan de gemachtigde worden gezonden. Nu gedaagde weet had van het feit dat drs. J. Vondeling optrad als gemachtigde van appellante, had derhalve het besluit van 23 september 2002 aan de gemachtigde van appellante moeten worden toegezonden. Gedaagde heeft dat besluit echter in eerste instantie uitsluitend toegezonden aan appellante zelf, zodat (toen) geen sprake was van bekendmaking op de, in artikel 7:12, tweede lid, eerste volzin, van de Awb, voorgeschreven wijze. Gelet op artikel 6:8 van Pro de Awb is de beroepstermijn dan ook niet (reeds) op 24 september 2002 aangevangen. Vaststaat dat de gemachtigde van appellante niet eerder dan op 25 maart 2003 kennis heeft gekregen van het besluit van 23 september 2002, zodat de beroepstermijn geacht moet worden te zijn aangevangen op 26 maart 2003. Ten aanzien van het op 29 april 2003 ingestelde beroep is derhalve geen sprake van termijnoverschrijding.
Gezien hetgeen hiervoor is overwogen en onder verwijzing naar ’s Raads uitspraak van 18 november 2003, AB 2004/72, is de Raad van oordeel dat niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in dit geval achterwege had moeten blijven, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Aangezien de zaak, naar het oordeel van de Raad, nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal hij de zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet terugwijzen naar de rechtbank.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. Nu de rechtbank zich omtrent de inhoudelijke aspecten van de zaak nog dient uit te spreken, ziet de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb voorwaardelijk - voor het geval het bestreden besluit niet in rechte stand kan houden - te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak ter behandeling terug naar de rechtbank Assen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde recht van € 348,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter, en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) M. Renden.
EK2511