Art. 8:69 AwbArt. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als verkoopster bij de Hema, viel op 10 december 1999 uit wegens rugklachten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde bij besluit van 20 februari 2001 vast dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was en daarom geen WAO-uitkering kon ontvangen. Dit besluit werd op 25 januari 2002 na bezwaar gehandhaafd.
In hoger beroep betwist appellante de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid en de selectie van passende functies. De Raad overwoog dat de arbeidsmogelijkhedenlijst en het Functie Informatiesysteem (FIS) de geselecteerde functies bevatten en dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet wijzigt bij het buiten beschouwing laten van de functie winkelbediende textielreiniging.
Medisch onderzoek door verzekeringsarts God op 23 november 2000 toonde beperkingen aan in nek, rug, schouder en gehoor. Dit rapport werd bevestigd door een bezwaarverzekeringsarts. De arbeidsdeskundige selecteerde op basis hiervan passende functies binnen de bandbreedte. De Raad vond geen gronden om het bestreden besluit te vernietigen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Zutphen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/469 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Als gemachtigde van appellante heeft mr. M.I. Pul, advocaat te Doetinchem, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 18 december 2002, nummer 02/388 WAO 61, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 oktober 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M. Blok, advocaat te Doetinchem, en waar namens gedaagde is verschenen mr. F. Gerritsma, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante heeft vanaf 1972 gewerkt bij de Hema als verkoopster. Na een eerdere periode van ziekte is zij op 10 december 1999 uitgevallen met rugklachten.
Bij besluit van 20 februari 2001 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat zij geen aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 8 december 2000 aangezien zij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet wordt geacht. Uit de onderliggende stukken blijkt dat appellante niet langer geschikt wordt geacht voor haar werk als verkoopster maar wel voor een aantal functies die voor haar zijn geselecteerd.
Bij het bestreden besluit van 25 januari 2002 heeft gedaagde onder meer het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
In de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep wordt namens appellante bestreden dat de belastbaarheid juist zou zijn vastgesteld door gedaagde. Voorts heeft zij bezwaren tegen de geselecteerde functies.
De Raad dient de vraag te beantwoorden of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft laten.
De Raad overweegt als volgt.
De verzekeringsarts R.H.J. God heeft appellante op 23 november 2000 op zijn spreekuur onderzocht. Hij heeft vastgesteld dat appellante nek-, schouder- en rugklachten heeft. Voorts heeft hij geconstateerd dat appellante al geruime tijd lijdt aan perceptiedoofheid waarvoor zij gehoorprothesen moet dragen.
Appellante slikte ten tijde van het onderzoek zonodig een pijnstiller en werd niet door een fysiotherapeut of een manuele therapeut behandeld. Afgezien van de controle door de KNO-arts blijkt verder niet van enige behandeling door een arts of specialist. De verzekeringsarts God heeft appellante beperkt wat betreft de belastbaarheid van nek, rug en schouder en een beperking aangegeven met betrekking tot haar doofheid.
De Raad heeft in dat onderzoeksrapport geen relevante onzorgvuldigheden kunnen vaststellen. Dat het rapport mede met het oog op de advisering met betrekking tot een ontslagvergunning is opgesteld, doet niet af aan de constatering dat een volledig medisch onderzoek met betrekking tot de belastbaarheid van appellante in het kader van de toepassing van de WAO heeft plaatsgevonden.
Dat laatste blijkt niet alleen uit het rapport en de vastgestelde verwoording van de belastbaarheid van appellante van
23 november 2000 van de verzekeringsarts God maar ook uit de toetsing daarvan door de bezwaarverzekeringsarts
P.A.E.M. Hofmans van 18 januari 2002.
Uitgaande hiervan heeft de bezwaararbeidsdeskundige G.C. van Welzenis voor appellante de functies bankbediende met
8 arbeidsplaatsen, assemblagemedewerker met 26 arbeidsplaatsen, winkelbediende textielreiniging met 7 arbeidsplaatsen en monteur transformatoren met 8 arbeidsplaatsen geselecteerd.
Uit de arbeidsmogelijkhedenlijst die uitgaande van de datum in geding, 8 december 2000, is vastgesteld blijkt dat alle functies toen in het Functie Informatiesysteem, het FIS, waren opgenomen.
Wanneer de functie winkelbediende textielreiniging buiten beschouwing wordt gelaten omdat in een van de arbeidsplaatsen in die functie in wisselende diensten wordt gewerkt waarvoor een toeslag voor afwijkende arbeidstijden zou kunnen worden betaald, dan wijzigt de door de arbeidsdeskundige Van Welzenis vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid niet.
De functies vallen ook binnen de zogeheten bandbreedte die bij de selectie van functies wordt gehanteerd.
Nu ook overigens in het licht van artikel van 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2004.