ECLI:NL:CRVB:2004:AR7903

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4514 + 4515 WAO + 03/4516 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • C.W.J. Schoor
  • N.J. Haverkamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet tijdig betalen griffierecht in hoger beroep sociale verzekeringszaak

Opposant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Breda inzake WAO-zaken. De Raad van Beroep heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was voldaan.

Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring heeft opposant verzet ingesteld. De Raad heeft dit verzet behandeld tijdens een zitting waar partijen niet verschenen. Na beoordeling van het verzetschrift en de omstandigheden heeft de Raad geoordeeld dat het verzet ongegrond is.

De Raad wees erop dat opposant tijdig was geïnformeerd over de termijn voor betaling van het griffierecht en dat een gemotiveerd verzoek tot verlenging binnen die termijn had moeten worden ingediend. Het niet voldoen aan deze verplichting leidt tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.

De uitspraak van 5 maart 2004 blijft daarmee in stand en het verzet wordt verworpen. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro om hiervan af te wijken.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep blijft in stand.

Uitspraak

03/4514 + 4515 WAO + 03/4516 TW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Opposant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 27 mei 2003, nrs. 02/1372 WAO, 02/1373 WAO en 02/1652 WAO, tussen partijen gegeven uitspraak.
Bij uitspraak van 5 maart 2004 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de daartoe gestelde termijn is betaald.
Tegen deze uitspraak heeft opposant verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 oktober 2004, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Ten gevolge van het gedane verzet dient de Raad thans de vraag te beantwoorden of hij bij zijn uitspraak van 5 maart 2004 terecht heeft geoordeeld dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is te achten.
Hetgeen in het verzetschrift is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid dan hetwelk is neergelegd in zijn uitspraak van 5 maart 2004.
De Raad merkt hierbij op dat opposant in het schrijven van 17 november 2003 is gewezen op het feit dat verdere verlenging van de gestelde termijn, welke eindigde op 12 januari 2004, in beginsel niet zal worden verleend. Voor zover het onmogelijk mocht zijn het griffierecht tijdig te voldoen, dient binnen de gestelde termijn nader gemotiveerd de reden hiervan te worden aangegeven. Gelet op de duidelijke tekst van deze brief had opposant moeten begrijpen dat indien een gemotiveerde reden niet binnen de gestelde termijn wordt ingediend, het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De Raad stelt vast dat het griffierecht op 11 februari 2004 door de Raad is ontvangen.
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen dient het risico van het niet geven van een reactie binnen de gestelde termijn voor rekening van de betrokkene te blijven.
Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet, in samenhang met het vijfde lid van artikel 8:55 van Pro de Awb ongegrond te worden verklaard. Gelet op het zesde lid van laatstgenoemd artikel blijft de uitspraak waartegen verzet is gedaan in stand.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 december 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A. Bos.