ECLI:NL:CRVB:2004:AR8116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijk aansprakelijkheid feitelijk leidinggevende wegens onbehoorlijk bestuur en redelijke termijn overschreden
De zaak betreft de hoofdelijk aansprakelijkstelling van een feitelijk leidinggevende voor onbetaalde sociale verzekeringspremies van een gefailleerde vennootschap over 1996. Het UWV stelde de gedaagde aansprakelijk op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). De rechtbank Roermond oordeelde dat sprake was van onbehoorlijk bestuur en aansprakelijkheid, maar vernietigde het besluit wegens onvoldoende voortvarendheid en overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
In hoger beroep betwistte het UWV deze beoordeling en stelde dat de aansprakelijkstelling binnen vijf jaar na faillissement plaatsvond, zodat geen sprake was van onaanvaardbare vertraging. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat de aansprakelijkheid niet aan een termijn is gebonden en dat een voormalige bestuurder rekening moet houden met mogelijke latere premievaststelling tot vijf jaar na faillissement.
Hoewel de Raad erkende dat de behandeling van het bezwaar te lang had geduurd, leidde dit niet tot vernietiging van het besluit. Ter compensatie van de overschrijding werd toegezegd dat geen rente over het vorderingsbedrag wordt geheven. De Raad constateerde geen bewijs van materiële schade of nadelige procespositie van de gedaagde door de vertraging.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van het UWV ongegrond, waarbij geen toepassing werd gegeven aan artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van het UWV ongegrond, waarbij de aansprakelijkstelling van de feitelijk leidinggevende in stand blijft zonder renteheffing.