ECLI:NL:CRVB:2004:AR8119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijk aansprakelijkheid bestuurder voor sociale verzekeringspremies na faillissement
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om de hoofdelijk aansprakelijkheid van een bestuurder van een failliete besloten vennootschap voor de sociale verzekeringspremies over het jaar 1996. Het UWV stelde de bestuurder aansprakelijk op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), nadat het faillissement van de vennootschap was uitgesproken.
De rechtbank Roermond had het beroep van de bestuurder gegrond verklaard en het besluit van het UWV vernietigd, omdat het UWV onvoldoende onderzoek zou hebben gedaan naar de periode vóór het aantreden van de bestuurder en omdat de redelijke termijn was overschreden. De Centrale Raad van Beroep stelt echter vast dat het UWV terecht de bestuurder aansprakelijk heeft gesteld voor het gehele jaar 1996, ook voor de periode vóór zijn aantreden, omdat de bestuurder niet aannemelijk heeft gemaakt dat er onvoldoende middelen waren om de premies te voldoen.
Daarnaast oordeelt de Raad dat de schending van de redelijke termijn niet zo ernstig is dat aansprakelijkstelling niet meer mogelijk is, mede omdat het UWV heeft toegezegd geen rente te heffen over het te vorderen bedrag. De Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de bestuurder ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep van de bestuurder ongegrond en bevestigt zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de sociale verzekeringspremies over 1996.