ECLI:NL:CRVB:2004:AR8159
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit weigering verhoging WAO-dagloon en intrekking ZW-uitkering
Appellante, werkzaam als intercedente, werd vanaf 4 oktober 1995 volledig arbeidsongeschikt geacht wegens psychische klachten. Zij hervatte werkzaamheden tussen november 1996 en maart 1998, maar viel daarna opnieuw uit wegens ziekte. Het UWV nam diverse besluiten, waaronder het handhaven van de mate van arbeidsongeschiktheid en het weigeren van verhoging van het WAO-dagloon.
Appellante stelde in hoger beroep dat het UWV ten onrechte artikel 44 van Pro de WAO toepaste en dat het WAO-dagloon op basis van haar laatstverdiende loon per 1 juli 1997 vastgesteld moest worden. Tevens betwistte zij de intrekking van de Ziektewet-uitkering per 28 juni 1999.
De Raad oordeelde dat appellante vanaf 4 oktober 1995 doorlopend arbeidsongeschikt was op medische gronden, gesteund door rapportages van verzekeringsartsen. De toepassing van artikel 44 WAO Pro was een formalisering van de feitelijke situatie en niet in strijd met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel. De weigering tot verhoging van het dagloon was terecht omdat geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid.
Ten aanzien van de Ziektewet-uitkering was er onvoldoende medisch bewijs dat de arbeidsongeschiktheid voortvloeide uit zwangerschap of bevalling na 28 juni 1999. De Raad bevestigde daarom het besluit tot intrekking van de ZW-uitkering en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot weigering verhoging WAO-dagloon en intrekking ZW-uitkering.