ECLI:NL:CRVB:2004:AR8172

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/3224 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 WAOArt. 87e WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling gedifferentieerde WAO-premie 2001 ondanks bezwaren werkgever

Appellante betwistte de vaststelling van de gedifferentieerde premie WAO voor het jaar 2001, waarbij onder meer een aan een voormalige werknemer betaalde WAO-uitkering werd meegenomen. Zij stelde dat de uitvoering van de WAO en de premiedifferentiatieregeling willekeurig was, met schending van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, en dat haar procespositie als werkgever werd benadeeld.

De rechtbank Almelo had het beroep van appellante reeds ongegrond verklaard. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de werkgever voldoende mogelijkheden heeft om bezwaar en beroep in te stellen tegen het WAO-toekenningsbesluit aan de werknemer, waardoor de procespositie niet onrechtmatig wordt beperkt.

De Raad wijst verder op het ontbreken van een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel, aangezien appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij anders wordt behandeld dan andere premieplichtigen. Ook is het niet aan de rechter om de billijkheid van de wet te toetsen. De aangevallen uitspraak wordt dan ook bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie 2001 en wijst het beroep van appellante af.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M ER
02/3224 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 27 juli 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 28 november 2000, waarbij gedaagde de door appellante verschuldigde gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van Pro de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het premiejaar 2001 heeft vastgesteld op 4,77%. Daarbij is de in 1999 aan een toenmalige werknemer van appellante betaalde WAO-uitkering in aanmerking gnomen.
De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 21 mei 2002, kenmerk 01/699, het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante is J.H.C. van Dongen, sociaal-juridisch medewerker bij de Metaalunie te Nieuwegein, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 september 2004. Daar heeft appellante zich doen vertegenwoordigen door J.H.C. van Dongen, voornoemd. Gedaagde is verschenen bij E. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De hoogte van de voor 2001 vastgestelde gedifferentieerde premie is (mede) gebaseerd op de aan appellantes werknemer [naam werknemer] door gedaagde in 1999 betaalde WAO-uitkering.
De eerste grief is gericht tegen de willekeurige wijze waarop de uitvoering van de WAO en de daarin opgenomen premiedifferentiatieregeling plaatsvindt. Deze wijze van uitvoering heeft volgens appellante schending van de beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid tot gevolg.
De rechtbank heeft deze grief naar het oordeel van de Raad terecht verworpen met de overweging dat deze in de procedure over de vastgestelde gedifferentieerde premie gelet op artikel 87e van de WAO geen rol kan spelen. De werkgever heeft de mogelijkheid om als belanghebbende de gegrondheid van het verstrekken van de WAO-uitkering aan zijn (ex-)werknemers in bezwaar, beroep en hoger beroep te laten beoordelen.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel kan appellante niet volstaan met de stelling dat de uitvoering van de WAO te wensen overlaat. Als die stelling al als juist zou moeten worden aanvaard, dan nog volgt daaruit niet dat appellante daardoor, (middellijk) een andere behandeling ten deel is gevallen dan andere (groepen van) premieplichtige werkgevers. Verder is het de rechter niet toegestaan om de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te beoordelen.
De tweede grief van appellante betreft de inbreuken die naar haar mening worden gemaakt op de procespositie van de werkgever.
Voor zover deze grief betrekking had op de vraag of de WAO-premiedifferentiatieregeling als ‘criminal charge’ is aan te merken kan bespreking achterwege blijven nu de grief in zoverre is ingetrokken tijdens de mondelinge behandeling.
Voor zover deze grief betrekking heeft op de onvolledige verstrekking van informatie over het onderhavige Ziektewet/WAO-dossier wijst de Raad erop dat appellante bezwaar, beroep en hoger beroep heeft ingesteld tegen het WAO-toekenningsbesluit van werknemer [naam werknemer] en zo kennis heeft kunnen nemen van de aan dat besluit ten grondslag liggende medische stukken.
Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op
16 december 2004.
(get.) R.C. Stam.
(get.) A. Kovács.