ECLI:NL:CRVB:2004:AR8543

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1127 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging korting WAO-uitkering wegens niet gemelde inkomsten uit drugshandel

Appellant ontving een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Uit een rapport van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) bleek dat appellant van 1993 tot 1999 inkomsten had uit de handel in soft drugs, die niet waren gemeld. Op basis hiervan werd de WAO-uitkering met terugwerkende kracht verlaagd alsof appellant slechts 45-55% arbeidsongeschikt was, en werd de onverschuldigde uitkering teruggevorderd.

Appellant voerde aan dat hij pas in 1997 met drugshandel was begonnen en betwistte de schatting van zijn inkomsten. Hij kon door slechte gezondheid geen bewijsstukken overleggen. De Raad stelde vast dat appellant tijdens het politieverhoor had verklaard vanaf 1992 inkomsten uit drugshandel te hebben genoten en dat hij deze activiteiten niet als werk beschouwde, waardoor hij ze niet had gemeld.

De Raad oordeelde dat de schatting van de inkomsten op basis van politie-ervaringscijfers terecht was en dat appellant gehouden moest worden aan zijn eerdere verklaringen. De Raad verwierp de bezwaren van appellant en bevestigde het besluit van het Uwv tot korting en terugvordering van de WAO-uitkering.

Uitkomst: De korting op de WAO-uitkering en de terugvordering van onverschuldigde betalingen worden bevestigd.

Uitspraak

03/1127 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I.ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het landelijkinstituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit I van 28 februari 2000 heeft gedaagde vastgesteld dat op de naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% vastgestelde uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant over de periode van 20 december 1993 tot en met 19 december 1994 (lees: 1996) een korting wordt toegepast alsof de uitkering was herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 45-55% en dat die uitkering ingaande 20 december 1993 (lees: 1996) wordt herzien naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%.
Bij besluit II van 28 februari 2000 heeft gedaagde beslist dat de tengevolge van besluit I onverschuldigd aan appellant betaalde WAO-uitkering van appellant wordt teruggevorderd.
Bij besluit van 9 oktober 2000 heeft gedaagde het bezwaarschrift van appellant tegen besluiten I en II ongegrond verklaard.
De rechtbank Arnhem heeft het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2000 bij uitspraak van 27 januari 2003, reg.nr. 01/210 WAO, ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. E.E.M. Messink, advocaat te Wijchen, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Van gedaagde is een verweerschift ontvangen.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op
9 november 2004 waar beide partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Aan appellant is met ingang van 20 december 1993 een uitkering ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO toegekend, berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.
Uit het rapport werknemersfraude van gedaagde van 2 september 1999 blijkt dat appellant van 1 januari 1993 tot en met 30 april 1999 heeft gehandeld in soft drugs en daaruit inkomsten heeft gehad. Deze inkomsten zijn door gedaagde op basis van ervaringscijfers van de politie vastgesteld op fl. 79,06 netto per dag. Appellant heeft die inkomsten niet bij gedaagde gemeld.
Bij besluit I heeft gedaagde beslist dat ingaande 20 december 1993 gedurende drie jaar vermelde inkomsten op appellants WAO-uitkering worden gekort, waardoor die uitkering wordt uitbetaald als ware appellant 45-55% arbeidsongeschikt en dat vervolgens per 20 december 1996 appellants uitkering wordt herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. De uit dat besluit voortvloeiende onverschuldigde betaling van uitkering over de periode van 1 oktober 1994 tot en met 30 september 1999 is door gedaagde van appellant teruggevorderd bij besluit II. Bij het bestreden besluit van 9 oktober 2000 heeft gedaagde de bezwaren tegen evenvermelde besluiten ongegrond verklaard. Met betrekking tot de houdbaarheid in rechte van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt.
Appellant houdt staande dat hij niet al in 1993 is begonnen met de verkoop van soft drugs, maar pas in 1997. Dit zou ook in het strafvonnis zijn neergelegd.
Ook betwist appellant de door gedaagde gemaakte schatting van zijn inkomsten. Hij verkeert evenwel in een buitengewoon slechte gezondheid, die hem verhindert bewijsstukken ter zake van zijn inkomsten te overleggen.
Voorts voert appellant aan dat nu de periode van handel slechts één jaar bedroeg, hij nog niet afgeschat mocht worden ingevolge artikel 44 WAO Pro.
De Raad stelt - met de rechtbank - vast dat de activiteiten van appellant ten tijde hier van belang moeten worden geacht gericht te zijn geweest op het verkrijgen van inkomsten en dat die activiteiten zijn aan te merken als arbeid in de zin van artikel 44 van Pro de WAO. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is een bestuursorgaan in een geval als het onderhavige, waarin de verzekerde verzuimd heeft concrete, verifieerbare gegevens betreffende zijn inkomsten te verstrekken, bevoegd om die inkomsten schattenderwijs vast te stellen. Gedaagde heeft in dit geval de inkomsten van appellant terecht gebaseerd op ervaringsgegevens van de politie, nu er geen andere, eenvoudig controleerbare methode was om deze vast te stellen. De gevolgen van het ontbreken van concrete, verifieerbare gegevens over appellants inkomen vallen geheel binnen de risicosfeer van appellant.
De uitkomsten van de strafrechtelijke vervolging van appellant zijn volgens vaste jurisprudentie van de Raad niet bepalend voor het antwoord op de vraag of en hoeveel inkomsten appellant heeft genoten.
De Raad stelt voorts vast dat uit het rapport werknemersfraude van 2 september 1999 blijkt dat appellant tijdens het politieverhoor bekend heeft vanaf 1992 te handelen in soft drugs en daaruit inkomsten te genieten.
Ook uit het procesverbaal van verhoor van appellant op 2 september 1999 blijkt dat appellant verklaart dat hij op de formulieren 1994 tot en met 1998 niet heeft vermeld dat hij inkomsten uit de drugshandel heeft, aangezien hij zijn activiteiten niet als werk zag. Uit deze verklaring volgt dat appellant - aanvankelijk - zijn activiteiten in de drugshandel over deze jaren ook ten opzichte van gedaagde niet heeft ontkend. Naar het oordeel van de Raad dient appellant te worden gehouden aan de verklaringen die hij in de onderzoeksperiode heeft afgelegd, nu appellant nadien geen dwingende bewijsstukken van het tegendeel heeft overlegd.
De Raad ziet derhalve geen reden voor twijfel aan de door gedaagde aangenomen periode waarin appellant activiteiten in de drugshandel heeft ontplooid. Dit betekent dat de door appellant aangevoerde grieven geen doel treffen.
Met betrekking tot de terugvordering verenigt de Raad zich geheel met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen.
Het vorenoverwogene betekent dat er geen aanleiding is om de aangevallen uitspraak, waarin het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, niet in stand te laten.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het 21 december 2004.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) H.H.M. Ho.
MR