ECLI:NL:CRVB:2004:AR8551
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering herziening WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig vorkheftruckchauffeur, ontving een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% door het Carpaal Tunnel Syndroom (CTS) aan zijn rechterpols. Na het beëindigen van zijn WW-uitkering vroeg appellant om herziening van zijn WAO-uitkering op grond van vermeende toename van arbeidsongeschiktheid.
Een verzekeringsarts constateerde dat de beperkingen door CTS niet waren toegenomen, maar dat appellant sinds ongeveer een jaar rugklachten had ontwikkeld. Deze rugklachten waren medisch vastgesteld in mei 2000, na het einde van de WW-uitkering. De bezwaarverzekeringsarts stelde vast dat er geen verband was tussen de rugklachten en de oorspronkelijke CTS-beperkingen.
De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de toename van de arbeidsongeschiktheid niet kan worden toegerekend aan de oorspronkelijke aandoening waarvoor de WAO-uitkering werd toegekend. Op grond van artikel 37, tweede lid, van de WAO is herziening van de uitkering daarom terecht geweigerd.
Appellant voerde aan dat hij voorafgaand aan het eerste onderzoek rugklachten had gemeld, maar dit werd niet ondersteund door medische bevindingen. De Raad oordeelt dat het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank in stand kunnen blijven en ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering is terecht geweigerd omdat de toename van arbeidsongeschiktheid niet samenhangt met de oorspronkelijke aandoening.