ECLI:NL:CRVB:2004:AR8559
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens passende functies en voldoende verdiencapaciteit
Appellant, die wegens rugklachten arbeidsongeschikt werd verklaard, verzocht om een WAO-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees dit verzoek af omdat appellant, ondanks zijn beperkingen, in staat werd geacht passend werk te verrichten dat voldoende inkomen oplevert. De rechtbank ’s-Gravenhage oordeelde dat het besluit van het Uwv juist was, mede gelet op het belastbaarheidspatroon opgesteld door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen.
Appellant stelde in hoger beroep dat het belastbaarheidspatroon onjuist was, maar kon dit niet onderbouwen met objectieve medische gegevens. De Raad nam het oordeel van de rechtbank over dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de functies die als passend werden aangemerkt, adequaat waren geselecteerd. De latere toekenning van een WAO-uitkering aan appellant wegens psychische problematiek was niet relevant voor de beoordeling ten tijde van het bestreden besluit.
De Raad concludeerde dat de schatting van passende functies met voldoende arbeidsplaatsen voldoende reëel en deugdelijk was en bevestigde daarmee het bestreden besluit. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het bestaan van passende functies zonder verlies van verdiencapaciteit.