Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR8562

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/4351 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WWArt. 4 WWArt. 5 WWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WW-uitkering wegens ontbreken werknemerstatus onder de WW

Appellant, voormalig bestuurder van een failliete BV, heeft een WW-uitkering aangevraagd nadat de BV failliet werd verklaard. Hij stelde dat hij als internationaal chauffeur voor deze BV werkzaam was geweest. De aanvraag werd afgewezen omdat appellant niet kon worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking of een fictieve dienstbetrekking. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en benadrukt dat appellant niet heeft voldaan aan de bewijslast om een reële loonbetalingsverplichting aan te tonen.

Van doorslaggevend belang was dat appellant zelf verklaarde nooit salaris te hebben ontvangen en dat er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst was. De Raad wijst de niet onderbouwde stelling van appellant dat wel salaris is betaald af en ziet geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: De WW-uitkering wordt afgewezen omdat appellant niet als werknemer in de zin van de WW kan worden aangemerkt.

Uitspraak

02/4351 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], woonachtig te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
?. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant is mr. J.W. Verhoef, advocaat te Amstelveen, op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een de door de rechtbank Haarlem op
11 juli 2002 onder nummer 01/1017 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 november 2004, waar namens appellant is verschenen mr. Verhoef, voornoemd, en gedaagde zich - zoals tevoren schriftelijk bericht - niet heeft laten vertegenwoordigen.
??. MOTIVERING
Appellant is voormalig bestuurder van [naam BV] Nadat [naam BV] op 17 maart 1998 in staat van faillissement is verklaard, heeft appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij deze aanvraag heeft appellant gesteld dat hij vanaf 15 januari 1997 als internationaal chauffeur werkzaam is geweest voor voornoemde B.V.
Bij besluit van 8 mei 2001 heeft gedaagde de afwijzing van die aanvraag gehandhaafd op de grond dat appellant niet is aan te merken als een werknemer in de zin van de WW.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank was van oordeel dat appellant zijn werkzaamheden niet heeft verricht in een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van Pro de WW dan wel in een fictieve dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4 en Pro 5 van de WW. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. In het bijzonder is appellant, naar het oordeel van de Raad, niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast om aan te tonen dat sprake was van een reële loonbetalingsverplichting. Ook de Raad acht hiertoe van doorslaggevende betekenis dat appellant in het kader van zijn aanvraag om een WW-uitkering heeft verklaard nimmer salaris te hebben ontvangen en dat evenmin melding is gemaakt van een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Aan de eerst in hoger beroep betrokken en niet onderbouwde stelling dat wel salaris is betaald gaat de Raad voorbij.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
???. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter, en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. H.G. Lubberdink als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A. Kovács.
MvK20124