ECLI:NL:CRVB:2004:AR8562
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens ontbreken werknemerstatus onder de WW
Appellant, voormalig bestuurder van een failliete BV, heeft een WW-uitkering aangevraagd nadat de BV failliet werd verklaard. Hij stelde dat hij als internationaal chauffeur voor deze BV werkzaam was geweest. De aanvraag werd afgewezen omdat appellant niet kon worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking of een fictieve dienstbetrekking. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en benadrukt dat appellant niet heeft voldaan aan de bewijslast om een reële loonbetalingsverplichting aan te tonen.
Van doorslaggevend belang was dat appellant zelf verklaarde nooit salaris te hebben ontvangen en dat er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst was. De Raad wijst de niet onderbouwde stelling van appellant dat wel salaris is betaald af en ziet geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt afgewezen omdat appellant niet als werknemer in de zin van de WW kan worden aangemerkt.