ECLI:NL:CRVB:2004:AR8692
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na medische beoordeling zonder nieuwe twijfel
Appellant, een voormalig postbesteller, ontving sinds 1987 een WAO-uitkering wegens psychische klachten met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling in 1999 werd zijn uitkering herzien naar een lagere mate van 35-45% arbeidsongeschiktheid. Zowel bij bezwaar als in eerste aanleg werd dit besluit bevestigd, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad stelde vast dat appellant geen nieuwe medische gegevens had ingebracht die het eerdere oordeel van de verzekeringsartsen konden betwijfelen. Het rapport van Van Kemenade en Van Soest en de suggesties daarin werden gemotiveerd door de bezwaarverzekeringsarts verworpen, omdat het gebrek aan motivatie van appellant om te werken niet als ziekte of gebrek in de zin van de WAO kon worden gezien.
De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant juist waren ingeschat. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd dan ook bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.