ECLI:NL:CRVB:2004:AR8768

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2106 MAW en 03/2107 MAW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
  • J.Th. Wolleswinkel
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag wegens wangedrag van een gokverslaafde militair en de toerekenbaarheid van zijn gedrag

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van een militair, appellant, die ontslagen is wegens wangedrag, specifiek verduistering van gelden in verband met zijn gokverslaving. Appellant was werkzaam bij de Koninklijke Marine en is op 19 januari 1998 geschorst na het verduisteren van meer dan f 52.000,-. Hij werd op 19 oktober 1998 strafrechtelijk veroordeeld voor deze verduistering. De Staatssecretaris van Defensie verleende appellant op 2 februari 1999 ontslag op basis van artikel 39 van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR) wegens wangedrag. Appellant stelde dat zijn gokverslaving hem niet in staat stelde om verantwoordelijk te zijn voor zijn daden, maar de Raad oordeelde dat de verslaving op zichzelf geen verontschuldigende factor is voor het gepleegde plichtsverzuim. De Raad concludeerde dat gedaagde bevoegd was om het ontslag te verlenen, aangezien appellant niet had aangetoond dat zijn gedrag niet aan hem kon worden toegerekend. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank, die het beroep van appellant ongegrond had verklaard. De Raad oordeelde dat er geen omstandigheden waren die het gebruik van de ontslagbevoegdheid door gedaagde onredelijk maakten. De uitspraak werd gedaan op 30 december 2004.

Uitspraak

03/2106 MAW en 03/2107 MAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 april 2003, nrs. AWB 02/2599 MAWKMA en AWB 02/4508 MAWKMA, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 18 november 2004, waar namens appellant is verschenen F.C. van Veen, werkzaam bij de VBM/NOV. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.A.M. Maas, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.
II. MOTIVERING
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant, ten tijde hier in geding korporaal bij de Koninklijke Marine, was vanaf 25 november 1996 werkzaam bij het Logistiek Bataljon, eerst in de functie van medewerker en laatstelijk in de functie van chef van de kledingverkoopplaats van de [naam kazerne]. In verband met verduistering van door hem beheerde gelden (in totaal voor ruim f 52.000,-) is appellant op 19 januari 1998 geschorst. Op 19 oktober 1998 is hij vanwege deze verduistering strafrechtelijk veroordeeld. Appellant kampte met een gokverslaving.
1.2. Bij besluit van 2 februari 1999 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 1 maart 1999 met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR) ontslag verleend wegens voornoemde verduistering. Op 10 maart 1999 is appellant getroffen door een hersenbloeding, als gevolg waarvan hij momenteel nog steeds arbeidsongeschikt is. Het besluit van 2 februari 1999 is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 18 juni 2002.
1.3. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
2. De Raad stelt voorop dat ingevolge artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR, aan de militair ontslag kan worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.
3. Gedaagde heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant zich herhaaldelijk schuldig heeft gemaakt aan wangedrag in de dienst. Hierbij heeft gedaagde zich mede gebaseerd op de omstandigheid dat appellant ook in 1994 gelden heeft verduisterd, hetgeen toentertijd eveneens is uitgemond in een strafrechtelijke veroordeling.
4.1. Appellant heeft niet bestreden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het verweten wangedrag, maar is van opvatting dat hij gelet op de hersenbloeding die hem op
10 maart 1999 heeft getroffen, bij het bestreden besluit alsnog in aanmerking had moeten worden gebracht voor een (eervol) ontslag ter zake van blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de dienst uit hoofde van een ziekte of een gebrek.
4.2. De Raad kan deze stelling niet volgen en wijst erop dat gedaagde in de gezondheids-toestand van appellant aanleiding heeft gezien voor raadpleging van de commissie tot het houden van een Militair Geneeskundig Onderzoek. Deze commissie heeft kennis genomen van het schrijven van de door appellant geraadpleegde bedrijfsarts
R.W. Hoogland en psychiater J.P.M. de Wit van 22 juli 1999 en is tot de conclusie gekomen dat appellant op de ontslagdatum niet blijvend ongeschikt was voor de dienst, maar wel binnen een maand na het ontslag blijvend ongeschikt voor de dienst is geworden. Gedaagde heeft dat oordeel overgenomen, en daarbij in aansluiting bij de visie van de geneeskundige autoriteit overwogen dat er op de ontslagdatum nog behandelmogelijkheden waren voor appellants gokverslaving. Appellant heeft niet aannemelijk weten te maken dat dit oordeel onjuist was. De omstandigheid dat appellant na het hem gegeven ontslag op medische gronden arbeidsongeschikt is geworden brengt niet mee dat gedaagde tot een gewijzigde grondslag voor het ontslag had moeten besluiten.
5.1. Appellant heeft voorts aangevoerd dat gedaagde niet bevoegd was om tot het verleende ontslag over te gaan omdat het wangedrag gelet op zijn gokverslaving niet aan hem kon worden toegerekend.
5.2. De Raad overweegt daartoe dat naar vaste jurisprudentie - zie de uitspraak van de Raad van 14 maart 1996, TAR 1996, 92 - de aanwezigheid van een gokverslaving op zichzelf geen verontschuldigende factor is voor onder invloed van (of in samenhang met) die verslaving gepleegd plichtsverzuim. Deze benadering acht de Raad ook van toepassing in het onderhavige geval. Van een verontschuldigende factor zou slechts sprake kunnen zijn, als die verslaving zou moeten worden toegeschreven aan een psychisch defect waardoor appellant niet in staat moet worden geacht zijn wil ten aanzien van het gokken in vrijheid te bepalen, zodat hij voor de gevolgen daarvan niet zonder meer te allen tijde verantwoordelijk kan worden gehouden.
5.3. De aanwezigheid van zo’n (uitzonderlijke) situatie is hier niet aannemelijk geworden. De gedingstukken, waaronder de in 4.2. vermelde brief van 22 juli 1999, bieden hiervoor naar het oordeel van de Raad onvoldoende steun. De door appellant geraadpleegde artsen waren van mening dat het verduisteren een indirect gevolg was van de gokverslaving van appellant en dat die verslaving behandelbaar was. Het lag derhalve op de weg van appellant om zich onder behandeling te stellen hetgeen hij niet heeft gedaan. Medische gegevens die de stelling onderschrijven dat appellant met betrekking tot de verduis-teringen niet in staat was zijn wil in vrijheid te bepalen zodat zou moeten worden geoordeeld dat het wangedrag hem niet kon worden toegerekend, zijn niet overgelegd. Gedaagde was derhalve bevoegd om tot het onderhavige ontslag over te gaan.
6.1. Tot slot heeft appellant naar voren gebracht dat gedaagde geen gebruik had mogen maken van zijn ontslagbevoegdheid. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat gedaagde na een reeds gebleken gokverslaving en de verduistering in 1994 de kat op het spek heeft gebonden door hem (opnieuw) in functies te plaatsen waarbij hij gelden moest beheren, althans begeleiding en verscherpt toezicht had moeten bieden om herhaling te voorkomen.
6.2. Gedaagde heeft appellant na zijn veroordeling in 1994 een herkansing geboden, hetgeen op zichzelf niet als onzorgvuldig kan worden beschouwd. Dat op de nieuwe werkplek sprake was van kasbeheer en dat begeleiding en verscherpt toezicht ontbraken kan de Raad evenmin onzorgvuldig achten nu appellant had nagelaten gedaagde ervan op de hoogte te stellen dat hij nog steeds met gokproblemen kampte. De Raad is voorts met gedaagde van oordeel dat deze werkomstandigheden de eigen verantwoordelijkheid van gedaagde niet wegnemen. Gelet hierop is de Raad, mede gezien de ernst van het wangedrag niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat gedaagde niet in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
7. Gelet op het vorenoverwogene komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand moeten blijven.
8. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 december 2004.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) A. de Gooijer.
HD
15.12
Q