ECLI:NL:CRVB:2004:AS2019

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/455 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ZiektewetArt. 3 WerkloosheidswetArt. 3 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringArt. 3 ZiekenfondswetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verzekeringsplicht taxichauffeurs in privaatrechtelijke dienstbetrekking

In deze zaak staat centraal of taxichauffeurs die werkzaam zijn binnen een vennootschap onder firma onder de verzekeringsplicht van sociale verzekeringswetten vallen. Appellante, als oorspronkelijke exploitant van de taxivergunning, werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) als premieplichtige aangemerkt voor de aan betrokkenen gedane betalingen.

De Raad baseert zich op een grootschalig onderzoek naar de taxibranche dat in 1994 is gestart, waaruit bleek dat taxichauffeurs ondanks firmaregelingen feitelijk in privaatrechtelijke dienstbetrekking werkten. Dit oordeel sluit aan bij een eerdere uitspraak van de Raad van 23 oktober 2003, waarin een soortgelijke arbeidsverhouding werd vastgesteld.

De Raad oordeelt dat de verzekeringsplichtige arbeidsverhouding terecht is aangenomen en dat de premieplichtige consequenties voor appellante terecht zijn vastgesteld. Er zijn geen gronden om af te wijken van de eerdere jurisprudentie en ook geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Daarom wordt de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd en blijft de premieplicht van appellante in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de premieplicht van appellante voor taxichauffeurs in privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Uitspraak

01/455 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, kenmerk 98/4938, van 29 november 2000.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 oktober 2004, waar voor appellante - hoewel daartoe ambtshalve opgeroepen - niemand is verschenen, en waar gedaagde zich - eveneens na daartoe ambtshalve te zijn opgeroepen - heeft doen vertegenwoordigen door E.I. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In geding is de vraag of de rechtbank terecht in stand heeft gelaten het besluit van gedaagde waarin deze verzekeringsplicht heeft aangenomen voor [betrokkenen] (hierna: betrokkenen) en tevens heeft besloten dat appellante premies verschuldigd is over de aan betrokkenen gedane betalingen ingaande 15 januari 1998.
Naar aanleiding van zorgen over de wijze waarop de Amsterdamse taxiondernemingen hun bedrijf exploiteerden is in 1994 een grootschalig onderzoek (mede) door gedaagde ingesteld naar de taxibranche. Op basis van de resultaten van dit onderzoek en de resultaten van de onderzoeken bij individuele taxiondernemingen heeft gedaagde geconcludeerd dat taxichauffeurs ondanks een firmaregeling in privaatrechtelijke dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 3 van Pro de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en, indien van toepassing, de Ziekenfondswet (Zfw) tot de oorspronkelijke exploitanten van de taxivergunning en de samenwerkingsovereenkomst met de Taxicentrale Amsterdam zijn blijven werken. In onderhavig geding was appellante de oorspronkelijke exploitant. De werkzaamheden werden verricht in het verband van een vennootschap onder firma ([naam v.o.f.].) met als vennoten betrokkenen en appellante.
De Raad heeft omtrent de verzekeringsplicht van taxichauffeurs reeds een uitspraak gedaan op 23 oktober 2003 (LJN AN7534, RSV 2003/305 en USZ 2003/362). De destijds besliste zaken kwamen voort uit hetzelfde, hierboven genoemde, onderzoek.
De Raad ziet, nu materieel dezelfde arbeidsverhouding aan de orde is, geen aanleiding omtrent de in die uitspraak reeds besliste onderwerpen thans anders te beslissen. Derhalve komt in het onderhavige geding de Raad tot het oordeel dat gedaagde terecht een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding heeft aangenomen tussen appellante en betrokkenen en daar premieplichtige consequenties aan heeft verbonden.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak in stand kan blijven.
Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) W.J.M. Fleskens.