ECLI:NL:CRVB:2004:AS2028
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Verzekeringsplicht van taxichauffeurs bevestigd in hoger beroep
In deze zaak stond de vraag centraal of taxichauffeurs verzekerd moesten worden ingevolge de sociale verzekeringswetten, ondanks dat zij formeel als zelfstandigen opereerden binnen een vennootschap onder firma. De Raad van bestuur van het UWV had een verzekeringsplicht aangenomen voor de betrokken taxichauffeurs en premies opgelegd aan appellante, de oorspronkelijke exploitant.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op basis van een grootschalig onderzoek naar de taxibranche was vastgesteld dat taxichauffeurs feitelijk in een arbeidsverhouding werkten die verzekeringsplichtig was volgens de Ziektewet, Werkloosheidswet, WAO en Ziekenfondswet. De werkzaamheden werden verricht binnen een vennootschap onder firma, maar de feitelijke relatie tussen appellante en de betrokkenen rechtvaardigde het aannemen van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding.
De Raad verwees naar een eerdere uitspraak van 23 oktober 2003 waarin dezelfde materiële arbeidsverhouding was beoordeeld en bevestigde dat er geen reden was om daarvan af te wijken. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd dan ook bevestigd. Er was geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de premieplicht bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verzekeringsplicht en premieplicht van appellante voor de betrokken taxichauffeurs.