ECLI:NL:CRVB:2004:AS2028

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/458 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ZiektewetArt. 3 WerkloosheidswetArt. 3 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringArt. 3 ZiekenfondswetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzekeringsplicht van taxichauffeurs bevestigd in hoger beroep

In deze zaak stond de vraag centraal of taxichauffeurs verzekerd moesten worden ingevolge de sociale verzekeringswetten, ondanks dat zij formeel als zelfstandigen opereerden binnen een vennootschap onder firma. De Raad van bestuur van het UWV had een verzekeringsplicht aangenomen voor de betrokken taxichauffeurs en premies opgelegd aan appellante, de oorspronkelijke exploitant.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op basis van een grootschalig onderzoek naar de taxibranche was vastgesteld dat taxichauffeurs feitelijk in een arbeidsverhouding werkten die verzekeringsplichtig was volgens de Ziektewet, Werkloosheidswet, WAO en Ziekenfondswet. De werkzaamheden werden verricht binnen een vennootschap onder firma, maar de feitelijke relatie tussen appellante en de betrokkenen rechtvaardigde het aannemen van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding.

De Raad verwees naar een eerdere uitspraak van 23 oktober 2003 waarin dezelfde materiële arbeidsverhouding was beoordeeld en bevestigde dat er geen reden was om daarvan af te wijken. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd dan ook bevestigd. Er was geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de premieplicht bleef in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verzekeringsplicht en premieplicht van appellante voor de betrokken taxichauffeurs.

Uitspraak

01/458 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, kenmerk 98/4939, van 29 november 2000.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 oktober 2004, waar voor appellante - hoewel daartoe ambtshalve opgeroepen - niemand is verschenen, en waar gedaagde zich - eveneens na daartoe ambtshalve te zijn opgeroepen - heeft doen vertegenwoordigen door E.I. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In geding is de vraag of de rechtbank terecht in stand heeft gelaten het besluit van gedaagde waarin deze verzekeringsplicht heeft aangenomen voor [betrokkenen] (hierna: betrokkenen) en tevens heeft besloten dat appellante premies verschuldigd is over de aan betrokkenen gedane betalingen ingaande 15 januari 1998.
Naar aanleiding van zorgen over de wijze waarop de Amsterdamse taxiondernemingen hun bedrijf exploiteerden is in 1994 een grootschalig onderzoek (mede) door gedaagde ingesteld naar de taxibranche. Op basis van de resultaten van dit onderzoek en de resultaten van de onderzoeken bij individuele taxiondernemingen heeft gedaagde geconcludeerd dat taxichauffeurs ondanks een firmaregeling in privaatrechtelijke dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 3 van Pro de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en, indien van toepassing, de Ziekenfondswet (Zfw) tot de oorspronkelijke exploitanten van de taxivergunning en de samenwerkingsovereenkomst met de [naam Taxi-onderneming] zijn blijven werken. In onderhavig geding was appellante de oorspronkelijke exploitant. De werkzaamheden werden verricht in het verband van een vennootschap onder firma ([naam v.o.f.]) met als vennoten betrokkenen en appellante.
De Raad heeft omtrent de verzekeringsplicht van taxichauffeurs reeds een uitspraak gedaan op 23 oktober 2003 (LJN AN7534, RSV 2003/305 en USZ 2003/362). De destijds besliste zaken kwamen voort uit hetzelfde, hierboven genoemde, onderzoek.
De Raad ziet, nu materieel dezelfde arbeidsverhouding aan de orde is, geen aanleiding omtrent de in die uitspraak reeds besliste onderwerpen thans anders te beslissen. Derhalve komt in het onderhavige geding de Raad tot het oordeel dat gedaagde terecht een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding heeft aangenomen tussen appellante en betrokkenen en daar premieplichtige consequenties aan heeft verbonden.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak in stand kan blijven.
Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) W.J.M. Fleskens.