ECLI:NL:CRVB:2004:AS2043

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/6545 ALGEM + 01/6546 ALGEM + 01/6547 ALGEM + 01/6548 ALGEM + 01/6550 ALGEM + 01/6551 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ZiektewetArt. 3 WerkloosheidswetArt. 3 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringArt. 3 ZiekenfondswetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verzekeringsplicht taxichauffeurs in vennootschap onder firma

De zaak betreft de vraag of taxichauffeurs die werkzaam zijn binnen een vennootschap onder firma onder de verzekeringsplicht van sociale verzekeringswetten vallen. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had verzekeringsplicht aangenomen voor de jaren 1997 tot en met 1999 en boetenota’s opgelegd aan appellante.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op basis van een grootschalig onderzoek in de taxibranche was vastgesteld dat taxichauffeurs ondanks privaatrechtelijke dienstbetrekkingen feitelijk bleven werken voor de oorspronkelijke exploitanten van de taxivergunning. De arbeidsverhouding betrof een vennootschap onder firma waarin betrokkene en andere vennoten werkzaam waren.

De Raad verwees naar een eerdere uitspraak van 23 oktober 2003 waarin dezelfde materiële arbeidsverhouding was beoordeeld en oordeelde dat er geen reden was om anders te beslissen. De verzekeringsplicht en premieplichtige gevolgen, waaronder de boetenota, werden terecht aangenomen.

Verder stelde de Raad vast dat het voor appellante duidelijk was welke vennoten als werkgever moesten worden aangemerkt, mede gelet op de inhoud van het besluit en de vennootschapsakte. De aangevallen uitspraak werd daarom bevestigd en het hoger beroep afgewezen.

De Raad zag geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en deed het vonnis in het openbaar op 16 december 2004.

Uitkomst: De verzekeringsplicht en premieplicht voor taxichauffeurs binnen de vennootschap onder firma worden bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

01/6545 ALGEM, 01/6546 ALGEM,
01/6547 ALGEM, 01/6548 ALGEM,
01/6550 ALGEM, 01/6551 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. E. Bos RA, werkzaam bij BV Praktijkvennootschap Mr. E. Bos te Amsterdam, bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, kenmerk 98/2774, 99/2292, 00/1924, 00/2126, 00/5412 en 00/3605, van 14 november 2001.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 oktober 2004, waar voor appellante - hoewel daartoe ambtshalve opgeroepen - niemand is verschenen, en waar gedaagde zich - eveneens na daartoe ambtshalve opgeroepen te zijn - heeft doen vertegenwoordigen door E.I. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In geding is de vraag of de rechtbank terecht in stand heeft gelaten de besluiten van gedaagde waarin deze verzekeringsplicht heeft aangenomen voor [betrokkene] (hierna: betrokkene) en dienaangaande nota’s ingevolge de sociale verzekeringswetten aan appellante heeft gezonden betreffende de jaren 1997 tot en met 1999. Met betrekking tot deze nota’s heeft de rechtbank, hierbij zelf voorziend, de hoogte van de boetenota 1999 – de enige boetenota die is opgelegd - vastgesteld op 10%.
Naar aanleiding van zorgen over de wijze waarop de Amsterdamse taxiondernemingen hun bedrijf exploiteerden is in 1994 een grootschalig onderzoek (mede) door gedaagde ingesteld naar de taxibranche. Op basis van de resultaten van dit onderzoek en de resultaten van de onderzoeken bij individuele taxiondernemingen heeft gedaagde geconcludeerd dat taxichauffeurs ondanks een firmaregeling in privaatrechtelijke dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 3 van Pro de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en, indien van toepassing, de Ziekenfondswet (Zfw) tot de oorspronkelijke exploitanten van de taxivergunning en de samenwerkingsovereenkomst met de Taxicentrale Amsterdam zijn blijven werken. In onderhavig geding waren H.Th. [vennoot 2] en J. [vennoot 3] de oorspronkelijke exploitanten. De werkzaamheden werden verricht in het verband van een vennootschap onder firma met als vennoten betrokkene en [vennoot 2] en [vennoot 3], voornoemd.
De Raad heeft omtrent de verzekeringsplicht van taxichauffeurs reeds een uitspraak gedaan op 23 oktober 2003 (LJN AN7534, RSV 2003/305 en USZ 2003/362). De destijds besliste zaken kwamen voort uit hetzelfde, hierboven genoemde, onderzoek.
De Raad ziet, nu materieel dezelfde arbeidsverhouding aan de orde is, geen aanleiding omtrent de in die uitspraak reeds besliste onderwerpen thans anders te beslissen. Derhalve komt in het onderhavige geding de Raad tot het oordeel dat gedaagde terecht een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding heeft aangenomen ten aanzien van betrokkene en daar premieplichtige consequenties - waaronder de boetenota - aan heeft verbonden. Tevens is de Raad van oordeel dat het, gezien de inhoud van het bestreden besluit, duidelijk moet zijn geweest welke vennoten van de [naam vof] als werkgever van betrokkene dienen te worden aangemerkt. [betrokkene] - de werknemer - wordt in het besluit immers expliciet vermeld. Blijkens hetgeen door [naam vof] in de bezwaar- en beroepsprocedure naar voren is gebracht, is het ook steeds duidelijk geweest tussen welke vennoten onderscheid werd gemaakt. De vennootschapakte wijkt niet wezenlijk af van aktes in vergelijkbare zaken.
Dit alles leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) W.J.M. Fleskens.