Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AS2046

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/114 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ZWArt. 8:75 AwbZWWWWAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verzekeringsplicht taxichauffeurs en weigering uitstel betaling premienota

In deze zaak staat de verzekeringsplicht van taxichauffeurs centraal, waarbij de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een besluit heeft genomen dat taxichauffeurs premieplichtig zijn. Dit besluit werd aangevochten door appellante, maar de rechtbank Amsterdam heeft het besluit in stand gelaten. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

De zaak betreft een onderzoek naar de exploitatie van taxiondernemingen in Amsterdam, waarbij is vastgesteld dat taxichauffeurs ondanks een firmaregeling in privaatrechtelijke dienstbetrekkingen feitelijk als werknemers van de oorspronkelijke exploitanten van de taxivergunning en de samenwerkingsovereenkomst met de Taxicentrale Amsterdam werken. De Raad heeft in een eerdere uitspraak van 23 oktober 2003 reeds geoordeeld over soortgelijke arbeidsverhoudingen en ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te beslissen.

Daarnaast is het verzoek om uitstel van betaling van een voorschotnota over 1996 door het Uwv geweigerd. Ook deze weigering wordt door de Raad bevestigd, mede gezien de inhoud van het bestreden besluit en de duidelijkheid over wie als werkgever moet worden aangemerkt. De Raad acht geen gronden aanwezig om af te wijken van het eerdere oordeel en bevestigt daarmee de premieplicht en de afwijzing van het uitstel.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verzekeringsplicht van taxichauffeurs en wijst het verzoek om uitstel van betaling van premienota’s af.

Uitspraak

02/114 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. E. Bos RA, werkzaam bij BV Praktijkvennootschap Mr. E. Bos te Amsterdam, bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, kenmerk 98/10249, van 14 november 2001.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 oktober 2004, waar voor appellante - hoewel daartoe ambtshalve opgeroepen - niemand is verschenen, en waar gedaagde zich - eveneens na daartoe ambtshalve opgeroepen te zijn - heeft doen vertegenwoordigen door E.I. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In geding is de vraag of de rechtbank terecht in stand heeft gelaten het besluit van gedaagde waarin deze verzekeringsplicht heeft aangenomen voor [betrokkenen] (hierna: betrokkenen) en waarbij tevens is geweigerd uitstel van betaling te verlenen met betrekking tot een voorschotnota over 1996.
Naar aanleiding van zorgen over de wijze waarop de Amsterdamse taxiondernemingen hun bedrijf exploiteerden is in 1994 een grootschalig onderzoek (mede) door gedaagde ingesteld naar de taxibranche. Op basis van de resultaten van dit onderzoek en de resultaten van de onderzoeken bij individuele taxiondernemingen heeft gedaagde geconcludeerd dat de taxichauffeurs ondanks een firmaregeling in privaatrechtelijke dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 3 van Pro de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en, indien van toepassing, de Ziekenfondswet (Zfw) tot de oorspronkelijke exploitanten van de taxivergunning en de samenwerkingsovereenkomst met de Taxicentrale Amsterdam zijn blijven werken. In onderhavig geding was [vennoot 2] de oorspronkelijke exploitant. De werkzaamheden werden verricht in het verband van een vennootschap onder firma met als vennoten betrokkenen, [vennoot 1] en [vennoot 2].
De Raad heeft omtrent de verzekeringsplicht van taxichauffeurs reeds een uitspraak gedaan op 23 oktober 2003 (LJN AN7534, RSV 2003/305 en USZ 2003/362). De destijds besliste zaken kwamen voort uit hetzelfde, hierboven genoemde, onderzoek.
De Raad ziet, nu materieel dezelfde arbeidsverhouding aan de orde is, geen aanleiding omtrent de in die uitspraak reeds besliste onderwerpen thans anders te beslissen.
Derhalve komt in het onderhavige geding de Raad tot het oordeel dat gedaagde terecht een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding heeft aangenomen ten aanzien van betrokkenen en daar premieplichtige consequenties aan heeft verbonden. Tevens is de Raad van oordeel dat het, gezien de inhoud van het bestreden besluit, duidelijk moet zijn geweest welke vennoten van de [naam vof] als werkgever van de taxichauffeurs dienen te worden aangemerkt. De namen van de vennoten [namen betrokkenen] - de werknemers - zijn in het besluit immers expliciet vermeld. Blijkens hetgeen door [naam vof] in de bezwaar- en beroepsprocedure naar voren is gebracht, is het ook steeds duidelijk geweest tussen welke vennoten onderscheid werd gemaakt.
In genoemde uitspraak van 23 oktober 2003 heeft de Raad ook geoordeeld dat gedaagde terecht heeft geweigerd uitstel van betaling te verlenen met betrekking tot de opgelegde premienota’s. Ook daaromtrent ziet de Raad geen aanleiding thans anders te beslissen.
Dit alles leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) W.J.M. Fleskens.