ECLI:NL:CRVB:2004:AS2050

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/211 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:75 AwbArt. 19 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond verklaard tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar berekeningsbeslissing vermogen WUV

Eiseres, weduwe van een vervolgingsslachtoffer, ontving een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Verweerster had het voor de Wet in aanmerking te nemen vermogen van eiseres verhoogd vanwege een erfenis verkregen in 1990. Bij een berekeningsbeslissing van 31 juli 2003 werd het vermogen voor de jaren 2001 en 2002 definitief vastgesteld.

Eiseres maakte bezwaar tegen deze berekeningsbeslissing, stellende dat haar vermogen aanzienlijk was afgenomen. Verweerster verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk. Eiseres stelde beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De Raad overwoog dat de berekeningsbeslissing geen zelfstandig besluit met rechtsgevolg is, maar een vaststelling binnen de bestaande wettelijke kaders, en daarom niet aan te merken is als besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro.

De Raad oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Eerder had eiseres ook een verzoek tot herziening van het vermogen ingediend dat was afgewezen en waartegen ook beroep was ingesteld en ongegrond verklaard.

De uitspraak bevestigt dat berekeningsbeslissingen die geen zelfstandig rechtsgevolg hebben niet vatbaar zijn voor bezwaar en beroep volgens de Awb, en dat het vermogen voor de WUV-uitkering sinds 1990 ongewijzigd is gebleven.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de berekeningsbeslissing wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/211 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 17 december 2003, kenmerk JZ/Y80/2003, heeft verweerster het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard dat eiseres heeft doen indienen tegen verweersters berekeningsbeslissing van 31 juli 2003 en de daarbij behorende brief van 18 september 2003 op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep doen instellen. In het beroepschrift, zoals aangevuld bij schrijven van 27 oktober 2004 is aangegeven waarom eiseres zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 november 2004. Aldaar is eiseres, naar tevoren was bericht, niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door drs. T.N.L.C. van Wickevoort Crommelin, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiseres, geboren [in] 1904, ontvangt als weduwe van een vervolgde een periodieke uitkering op grond van de Wet. Bij de berekening van die uitkering worden op grond van het bepaalde in artikel 19, eerste lid, onder c, van de Wet inkomsten uit vermogen in mindering gebracht. De omvang van het voor de Wet in aanmerking te nemen vermogen heeft verweerster ingaande 1 februari 1990 verhoogd in verband met het verkrijgen door eiseres van een erfenis van fl. 120.880,00. In verband met deze vermogenstoeval zijn eveneens de voor de berekening van eiseres’ periodieke uitkering geldende vermogensinkomsten verhoogd.
In mei 1995 heeft eiseres zich tot verweerster gewend met het verzoek om haar voor de toepassing van de Wet te hanteren vermogen te herzien, aangezien zij in verband met hoge woonlasten ten gevolge van het bewonen van een service-flat in ernstige mate op haar vermogen heeft ingeteerd. Dit verzoek van eiseres heeft verweerster bij besluit van 22 november 1995, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 december 1995 afgewezen. Bij uitspraak van deze Raad van
28 november 1996, kenmerk 96/597 WUV, is het beroep dat eiseres tegen laatstgenoemd besluit heeft ingediend, ongegrond verklaard.
Bij berekeningsbeslissing van 31 juli 2003, zoals toegelicht bij schrijven van 18 september 2003, heeft verweerster de aan eiseres toekomende periodieke uitkering over de jaren 2001 en 2002 definitief berekend. Daarbij is per 1 januari 2001 rekening gehouden met een vermogen van fl. 222.758,00 en per 1 januari 2002 met een vermogen van € 101.083,17. Namens eiseres is tegen deze beslissing bezwaar gemaakt waarbij is aangevoerd dat het vermogen van eiseres in omvang zeer aanzienlijk is afgenomen. Dit bezwaar heeft verweerster bij het thans bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard.
De Raad overweegt als volgt.
Op grond van artikel 7:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, voor zover hier van belang, bezwaar gemaakt worden tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb.
Met verweerster is de Raad van oordeel dat bij de berekeningsbeslissing van 31 juli 2003 geen nieuw of nader besluit is genomen met betrekking tot de omvang van het voor de berekening van de periodieke uitkering van eiseres in aanmerking te nemen vermogen, aangezien verweerster overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen in de Wet dit vermogen sedert
1 februari 1990 ongewijzigd heeft gelaten. In zoverre is die berekeningsbeslissing niet gericht op een zelfstandig rechtsgevolg en niet aan te merken als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
Verweerster heeft mitsdien op goede gronden het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Het vorenstaande betekent dat het namens eiseres ingediende beroep ongegrond verklaard moet worden.
De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Beslist wordt als volgt.
III.BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 december 2004.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.