ECLI:NL:CRVB:2004:AS2065

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/628 ALGEM + 02/629 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ZiektewetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenInvoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenZiektewet
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzekeringsplicht en premieplicht van taxichauffeur in vennootschap onder firma bevestigd

De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam over de verzekeringsplicht van een taxichauffeur, betrokkene, werkzaam binnen een vennootschap onder firma. De Raad oordeelt dat de taxichauffeur ondanks een privaatrechtelijke firmaregeling onder de sociale verzekeringswetten valt en dat de premieplichtige consequenties terecht zijn opgelegd.

Het geschil ontstond na een grootschalig onderzoek naar de taxibranche, waarbij werd vastgesteld dat taxichauffeurs, ondanks hun privaatrechtelijke dienstbetrekkingen, als verzekeringsplichtigen moeten worden aangemerkt. De Raad verwijst naar een eerdere uitspraak van 23 oktober 2003 waarin dezelfde materiële arbeidsverhouding werd beoordeeld.

De Raad concludeert dat het voor appellante duidelijk was welke vennoten als werkgever van betrokkene moesten worden beschouwd. Tevens wordt bevestigd dat het besluit tot weigering van uitstel van betaling van premienota’s terecht is genomen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de bestreden uitspraak en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verzekeringsplicht en premieplicht van de taxichauffeur en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

02/628 ALGEM
02/629 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], gevestigd te Amsterdam, appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. E. Bos RA, werkzaam bij BV Praktijkvennootschap Mr. E. Bos te Amsterdam, bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, kenmerk 98/10847 en 00/2127, van 11 december 2001.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 november 2004, waar voor appellante - hoewel daartoe ambtshalve opgeroepen - niemand is verschenen, en waar gedaagde zich - eveneens na daartoe ambtshalve opgeroepen te zijn - heeft doen vertegenwoordigen door E.I. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In geding resteert de vraag of de rechtbank op juiste gronden in stand heeft gelaten de besluiten waarin gedaagde verzekeringsplicht heeft aangenomen voor [betrokkene], geboren in 1964 (hierna: betrokkene) en dienaangaande nota’s ingevolge de sociale verzekeringswetten aan appellante heeft gezonden betreffende de jaren 1997 en 1998 en tevens heeft geweigerd uitstel van betaling te verlenen met betrekking tot de nota betreffende 1997.
Naar aanleiding van zorgen over de wijze waarop de Amsterdamse taxiondernemingen hun bedrijf exploiteerden is in 1994 een grootschalig onderzoek (mede) door gedaagde ingesteld naar de taxibranche. Op basis van de resultaten van dit onderzoek en de resultaten van de onderzoeken bij individuele taxiondernemingen heeft gedaagde geconcludeerd dat taxichauffeurs ondanks een firmaregeling in privaatrechtelijke dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 3 van Pro de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en, indien van toepassing, de Ziekenfondswet (Zfw) tot de oorspronkelijke exploitanten van de taxivergunning en de samenwerkingsovereenkomst met de Taxicentrale Amsterdam zijn blijven werken. In onderhavig geding was [vennoot 2], geboren in 1958, de oorspronkelijke exploitant. De werkzaamheden werden verricht in het verband van een vennootschap onder firma met als vennoten betrokkene en [vennoot 2] (1958).
De Raad heeft omtrent de verzekeringsplicht van taxichauffeurs reeds een uitspraak gedaan op 23 oktober 2003 (LJN AN7534, RSV 2003/305 en USZ 2003/362). De destijds besliste zaken kwamen voort uit hetzelfde, hierboven genoemde, onderzoek.
De Raad ziet, nu materieel dezelfde arbeidsverhouding aan de orde is, geen aanleiding omtrent de in die uitspraak reeds besliste onderwerpen thans anders te beslissen. Derhalve komt in het onderhavige geding de Raad tot het oordeel dat gedaagde terecht een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding heeft aangenomen met betrekking tot betrokkene en daar premieplichtige consequenties aan heeft verbonden. Tevens is de Raad van oordeel dat het, gezien de inhoud van het bestreden besluit, duidelijk moet zijn geweest welke vennoten van de [appellante] als werkgever van betrokkene dienen te worden aangemerkt. [betrokkene] (1964) - de werknemer - is in het besluit immers expliciet vermeld. Blijkens hetgeen door [appellante] in de bezwaar- en beroepsprocedure naar voren is gebracht, is het ook steeds duidelijk geweest tussen welke vennoten onderscheid werd gemaakt.
In genoemde uitspraak van 23 oktober 2003 heeft de Raad ook geoordeeld dat gedaagde terecht heeft geweigerd uitstel van betaling te verlenen met betrekking tot de opgelegde premienota’s. Ook daaromtrent ziet de Raad geen aanleiding thans anders te beslissen.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) W.J.M. Fleskens.