ECLI:NL:CRVB:2004:AS2121
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzekeringsplicht taxichauffeurs en premieplicht werkgever
In deze zaak staat de vraag centraal of appellante als werkgever kan worden beschouwd voor de taxichauffeurs en of de premienota’s die haar zijn opgelegd op grond van de sociale verzekeringswetten terecht zijn. De zaak vloeit voort uit een grootschalig onderzoek naar de exploitatie van taxiondernemingen in Amsterdam, waarbij is vastgesteld dat taxichauffeurs ondanks firmaregelingen feitelijk in dienstbetrekking stonden bij de exploitanten van de taxivergunning.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de arbeidsverhouding materieel gelijk is aan eerdere zaken waarin reeds is vastgesteld dat de betrokken chauffeurs premieplichtige werknemers zijn. Appellante stelde dat niet zij, maar een andere exploitant als werkgever moest worden aangemerkt, maar de Raad ziet geen aanleiding dit standpunt te volgen. Ook de weigering van uitstel van betaling van de premienota’s wordt bevestigd.
Verder is de door gedaagde toegepaste schatting van niet-verantwoorde lonen aan de orde gekomen. De Raad oordeelt dat appellante deze schatting onvoldoende heeft onderbouwd met concrete bewijzen, zodat deze niet onjuist wordt geacht. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt daarmee bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante als werkgever wordt aangemerkt en de premienota’s terecht zijn opgelegd zonder uitstel van betaling.