ECLI:NL:CRVB:2004:AS2134
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzekeringsplicht en premieplicht voor taxichauffeurs door derden gereden ritten
De zaak betreft een hoger beroep van vennoten van een vennootschap onder firma die een taxibedrijf exploiteren tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De kern van het geschil is of de chauffeurs die ritten voor de vennoten reden, als werknemers moeten worden beschouwd en of hierover premies sociale verzekeringen verschuldigd zijn.
De rechtbank had geoordeeld dat een aantal diensten door derden was gereden en dat deze chauffeurs premieplichtig waren. De appellanten betwistten dit en stelden dat zij geen loon hadden betaald aan derden en dat het niet verplicht is om de taxivergunning volledig te exploiteren.
De Raad stelde vast dat arbeidsovereenkomsten met reservechauffeurs aanwezig waren en dat een aantal diensten daadwerkelijk door deze chauffeurs was gereden, ondanks dat betalingen hiervan niet in de boekhouding waren opgenomen. De Raad vond dat het aan de appellanten was om bewijs te leveren dat zij geen werkgevers waren, wat niet was gelukt.
Gezien het grote aantal niet-verantwoorde diensten en het economische belang achtte de Raad het onwaarschijnlijk dat deze diensten niet waren gereden. Omdat appellanten geen gegevens hadden verstrekt over wie de diensten had gereden, mocht het Uwv aannemen dat derden tegen betaling deze diensten hadden verricht. Dit leidde tot de conclusie dat er verzekeringsplichtige arbeidsverhoudingen bestonden en dat premies verschuldigd waren. De Raad bevestigde daarom het bestreden vonnis.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de chauffeurs die door derden gereden ritten verrichten premies sociale verzekeringen verschuldigd zijn.