ECLI:NL:CRVB:2004:AS2311
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van niet-ontvankelijkheid wegens niet tijdige betaling griffierecht
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem, waarbij zijn beroep niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege de niet-tijdige betaling van het griffierecht. De rechtbank had op 24 oktober 2003 geoordeeld dat appellant niet binnen de gestelde termijn van vier weken had betaald, zoals aangegeven in de aanmaning van de griffier. Appellant heeft in hoger beroep zijn gronden aangevoerd via zijn gemachtigde, drs. O.T.V. Hendriks, maar de gedaagde, de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, heeft een verweerschrift ingediend.
De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak op 12 november 2004 behandeld, maar beide partijen zijn niet verschenen. De Raad heeft overwogen dat de handelwijze van de rechtbank Arnhem in overeenstemming is met artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad bevestigde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de door appellant aangevoerde argumenten niet voldoende waren om de niet-ontvankelijkheid te weerleggen. De Raad oordeelde dat de rechtbank geen aanleiding had om af te wijken van de wettelijke bepalingen omtrent de betaling van griffierecht.
De Raad heeft de uitspraak van de rechtbank Arnhem bevestigd, waarbij werd vastgesteld dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om het griffierecht tijdig te betalen. De Raad concludeerde dat er geen belemmering was voor de toegang tot de rechter, en dat de door appellant aangevoerde verwarring over de verschillende procedures van rechtbanken niet relevant was voor de beoordeling van de ontvankelijkheid. De uitspraak werd openbaar uitgesproken op 24 december 2004.