Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AS2393

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1326 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.I. 't Hooft
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buiten behandeling laten bijstandsaanvraag wegens niet tijdig verstrekken gegevens

Appellant diende op 18 december 2001 een aanvraag in voor een bijstandsuitkering bij het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht. Gedaagde besloot op 12 februari 2002 de aanvraag buiten behandeling te laten op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat appellant niet tijdig de gevraagde gegevens had verstrekt.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd bij besluit van 9 april 2002 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht die het bezwaar ongegrond had verklaard.

De Raad oordeelde dat het oordeel van de rechtbank, gebaseerd op artikel 4:5 Awb Pro, terecht was en dat de gevraagde gegevens van belang waren voor de beoordeling van de aanvraag. Het standpunt van appellant dat hij wel tijdig de bescheiden had overgelegd, vond geen steun in de stukken en werd door gedaagde ter zitting afdoende weerlegd.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding om appellant in de proceskosten te veroordelen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de bijstandsaanvraag terecht buiten behandeling is gelaten wegens niet tijdig verstrekken van gevraagde gegevens.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/1326 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. H. Brouwer, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 februari 2003, reg.nr. 02/791.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 december 2004, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht.
II. MOTIVERING
De Raad gaat, gelet op de inhoud van de gedingstukken, uit van de in de aangevallen uitspraak vermelde feiten en omstandigheden. Hij volstaat met het volgende.
Appellant heeft op 18 december 2001 bij gedaagde een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet.
Bij besluit van 12 februari 2002 heeft gedaagde besloten deze aanvraag, met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), buiten behandeling te laten omdat appellant niet tijdig de door gedaagde gevraagde gegevens heeft verstrekt.
Bij besluit van 9 april 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 12 februari 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 april 2002 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad onderschrijft het op artikel 4:5, eerste lid, van de Awb gebaseerde oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Hij voegt daar nog aan toe dat voor de beoordeling van de aanvraag de door gedaagde aan appellant gevraagde gegevens van belang zijn.
Namens appellant is in hoger beroep naar voren gebracht dat appellant wél tijdig bij gedaagde de gevraagde bescheiden heeft overgelegd. Dit standpunt vindt naar het oordeel van de Raad geen steun in de gedingstukken en is voorts van de zijde van de gedaagde ter zitting afdoende weerlegd.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.I. 't Hooft, in tegenwoordigheid van mr. I.D.Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 december 2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.D.Veldman.
HE/27124