ECLI:NL:CRVB:2004:AS2484

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/5830 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 87e WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verdeling gedifferentieerde WAO-premie over opvolgende werkgevers

De zaak betreft een geschil over de vaststelling van de gedifferentieerde premie op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het jaar 2001. Het UWV had de premie voor Stichting Regenboog vastgesteld mede vanwege een aan een ex-werknemer betaalde WAO-uitkering. De werknemer was tijdens een dienstverband van 32 uur arbeidsongeschikt geworden, maar was later bij een andere werkgever in dienst getreden voor 9 uur per week. Gedaagde stelde dat het billijk was de premielast over beide werkgevers te verdelen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechter niet bevoegd is om de billijkheid van de wet te toetsen en dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor een dergelijke verdeling van de premielast. Het hoger beroep van het UWV werd gegrond verklaard tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van gedaagde had toegewezen vanwege een motiveringsgebrek en onzorgvuldige voorbereiding.

De Raad bevestigde dat een grief die ziet op de toekenning van een WAO-uitkering, zoals de ingangsdatum, niet kan worden behandeld in een geding over de gedifferentieerde premie. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.

Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en de gedifferentieerde premie wordt niet verdeeld over opeenvolgende werkgevers.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/5830 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
Stichting Regenboog, Dagbesteding en Arbeidsbegeleiding voor Mensen met een Lichamelijke Handicap Midden-Nederland, gevestigd te Harmelen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 10 oktober 2002 onder kenmerk 01/741 door de rechtbank Utrecht gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 2 december 2004, waar appellant zich niet heeft laten vertegenwoordigen, en namens gedaagde is verschenen I.J. Oostenenk- Nijhoff.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 6 december 2000 heeft appellant de door gedaagde voor 2001 verschuldigde gedifferentieerde premie op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) bepaald op 2,64%, mede in verband met een aan een (ex-)werknemer (de werknemer) in 1999 betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge WAO. Deze uitkering is ingaande 5 november 1998 toegekend ter zake op 19 november 1997 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Bij het bestreden besluit van 14 maart 2001 is het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, en met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, het bestreden besluit vernietigd.
Het hoger beroep van appellant keert zich terecht tegen het, in de aangevallen uitspraak vervatte oordeel dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft en dat het onzorgvuldig is voorbereid, omdat de toekenning van de WAO-uitkering aan de werknemer (nog) niet onherroepelijk was. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 18 maart 2004, RSV 2004/179, ziet de Raad dat hoger beroep slagen. De aangevallen uitspraak kan daarom geen stand houden.
De devolutieve werking van het hoger beroep brengt met zich dat daarmee thans de Raad staat voor de beoordeling van het inleidende beroep.
Gedaagde heeft daarin aangevoerd dat de arbeidsongeschiktheid van de werknemer weliswaar tijdens het 32-urige dienstverband met gedaagde is ontstaan, maar dat de werknemer na het intreden van haar arbeidsongeschiktheid ingaande 26 januari 1998 met een andere werkgever een arbeidsovereenkomst is aangegaan voor een arbeidsomvang van 9 uren per week. In april 1998 is de werknemer slachtoffer geworden van een ongeval. Gedaagde acht het onder die omstandigheden billijk de lasten van de gedifferentieerde premie naar evenredigheid over haar en de opvolgende werkgever te verdelen.
De Raad stelt voorop dat het de rechter niet is toegestaan de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te beoordelen. Een wettelijke grondslag voor de door gedaagde voorgestane evenredige verdeling van de premielast ontbreekt.
Voor zover de aangevoerde beroepsgrond strekt ten betoge dat de voor de toekenning van een WAO-uitkering geldende wachttijd door de indiensttreding van de werknemer per 26 januari 1998 langer dan vier weken onderbroken is geweest, richt de grond zich tegen de toekenning van de WAO-uitkering. Blijkens de uitspraak van de Raad van 4 december 2003,
USZ 2004/23, verhindert artikel 87e van de WAO dat een grief die ziet op de toekenning van een WAO-uitkering, daaronder begrepen de ingangsdatum van die uitkering, in een geding omtrent de vaststelling van de gedifferentieerde premie met vrucht kan worden opgeworpen.
Het inleidend beroep moet ongegrond worden verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding tot de toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Gegeven door mr. R.C. Stam in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
16 december 2004.
(get.) R.C. Stam.
(get.) A. Kovács