ECLI:NL:CRVB:2004:AS2499

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/975 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van vaststelling gedifferentieerde WAO-premie ondanks beroep op evenredigheidsbeginsel

Appellante stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin de vaststelling van de gedifferentieerde premie op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) werd bevestigd. De premie was vastgesteld mede vanwege een aan een (ex-)werknemer betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering.

De rechtbank had geoordeeld dat de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid niet relevant is voor de premieberekening en dat het imperatieve karakter van de regeling een beroep op het evenredigheidsbeginsel uitsluit. Appellante voerde aan dat zij zich onevenredig zwaar getroffen voelde door de premie.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat gedaagde de wettelijke bepalingen correct heeft toegepast en dat er geen beleidsvrijheid is bij de uitvoering van deze voorschriften. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en het verbod van willekeur faalt omdat de situatie van appellante niet uitzonderlijk is en strookt met het doel van de premiedifferentiatieregeling.

De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie wordt bevestigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/975 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft R.L.W. Kriesels, registeraccountant te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 17 januari 2003 onder kenmerk 02/692 door de rechtbank Rotterdam gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 2 december 2004, waar namens appellante is verschenen haar directeur
[naam directeur], bijgestaan door R.L.W. Kriesels, en gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 26 november 2001 heeft gedaagde de door appellante voor 2002 verschuldigde gedifferentieerde premie op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) bepaald op 2,03%, mede in verband met een aan een (ex-)werknemer (de werknemer) in 2000 betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAO. Deze uitkering is ingaande 17 januari 2000 toegekend ter zake op 18 januari 1999 ingetreden arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft daartoe, samengevat, overwogen dat, anders dan appellante heeft aangevoerd, de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid van de werknemer niet relevant is en dat het imperatieve en categorale karakter van de regeling in de weg staat aan het honoreren van de beroepsgrond dat appellante zich onevenredig zwaar getroffen voelt.
Zoals volgt uit de uitspraak van de Raad van 19 december 2002, USZ 2003, 87, is het oordeel van de rechtbank dat de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid zonder belang is, juist.
Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Appellante betwist niet dat gedaagde de wettelijke bepalingen correct heeft toegepast. Aangezien gedaagde bij de uitvoering van die voorschriften geen enkele beleidsvrijheid toekomt, kan een beroep op het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet slagen.
Uit de rechtspraak van deze Raad volgt dat er niettemin bijzondere gevallen denkbaar zijn waarin de strikte toepassing van een dwingendrechtelijke bepaling in die mate in strijd komt met algemene rechtsbeginselen dat op deze grond de toepassing er van geen rechtsplicht meer kan zijn. De situatie waarin appellante verkeert is evenwel niet zo uitzonderlijk dat die in het geheel niet zou stroken met de uitvoering van de premiedifferentiatieregeling zoals de wetgever deze voor ogen heeft gehad. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en het verbod van willekeur slaagt daarom niet.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep faalt.
De Raad ziet geen aanleiding tot de toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gegeven door mr. R.C. Stam in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
16 december 2004.
(get.) R.C. Stam
(get.) A. Kovács