ECLI:NL:CRVB:2004:AS2573
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling gedifferentieerde WAO-premie ondanks arbeidsongeschiktheid werknemer
Appellante betwistte de vastgestelde gedifferentieerde WAO-premie over 2001 en 2002, die mede gebaseerd was op de WAO-uitkering aan een voormalige werknemer die sinds 5 mei 1998 arbeidsongeschikt was. De Raad oordeelde dat voor de premiehoogte alleen de feitelijk uitbetaalde uitkering in het refertejaar van belang is, en niet of de uitkering terecht is toegekend of de werkgever verwijtbaar heeft gehandeld.
De Raad benadrukte dat bezwaren tegen de premiebesluiten niet kunnen worden gebaseerd op de hoogte of rechtmatigheid van de WAO-uitkering zelf; daarvoor moet een aparte procedure tegen het toekenningsbesluit worden gevoerd. Appellante had niet aangetoond dat de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden was geëindigd, noch dat zij de reïntegratieverplichtingen kon beïnvloeden.
De Raad verwierp het beroep op beleidsvrijheid en het motiveringsbeginsel, aangezien de wet dwingendrechtelijk voorschrijft hoe de premie wordt vastgesteld. De situatie van appellante was niet uitzonderlijk genoeg om af te wijken van de wettelijke regeling. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde gedifferentieerde WAO-premie bevestigd.