ECLI:NL:CRVB:2004:AS2621
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling privaatrechtelijke dienstbetrekking en verzekeringsplicht werknemer
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem. De kern van het geschil is of de werknemer voor gedaagde in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding heeft gewerkt en of deze arbeidsverhouding als een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet worden aangemerkt.
De werknemer verrichtte sinds begin 1998 montagewerkzaamheden voor gedaagde, een groothandel in machineonderdelen. Uit looncontrole en accountantsonderzoek bleek dat de werknemer onder meer samen met vast personeel storingsdiensten draaide, ook tijdens vakantieperioden, en werd ingezet op grote projecten, ook in het buitenland. Hij gebruikte eigen handgereedschap maar ook kostbaar gereedschap van gedaagde.
De rechtbank oordeelde dat de onderzoeksrapporten onvoldoende waren om een gezagsverhouding aan te tonen en verklaarde het beroep van Uwv gegrond. De Centrale Raad van Beroep volgde dit oordeel niet en stelde vast dat er wel degelijk sprake was van een gezagsverhouding, dat de werknemer persoonlijk zijn werkzaamheden verrichtte en loon ontving. Daarom kwalificeerde de Raad de arbeidsverhouding als privaatrechtelijke dienstbetrekking en wees het hoger beroep af.
De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat sprake is van een verzekeringsplichtige privaatrechtelijke dienstbetrekking.