ECLI:NL:CRVB:2004:AS2621

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/5936 ALGEM + 02/5937 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling privaatrechtelijke dienstbetrekking en verzekeringsplicht werknemer

De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem. De kern van het geschil is of de werknemer voor gedaagde in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding heeft gewerkt en of deze arbeidsverhouding als een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet worden aangemerkt.

De werknemer verrichtte sinds begin 1998 montagewerkzaamheden voor gedaagde, een groothandel in machineonderdelen. Uit looncontrole en accountantsonderzoek bleek dat de werknemer onder meer samen met vast personeel storingsdiensten draaide, ook tijdens vakantieperioden, en werd ingezet op grote projecten, ook in het buitenland. Hij gebruikte eigen handgereedschap maar ook kostbaar gereedschap van gedaagde.

De rechtbank oordeelde dat de onderzoeksrapporten onvoldoende waren om een gezagsverhouding aan te tonen en verklaarde het beroep van Uwv gegrond. De Centrale Raad van Beroep volgde dit oordeel niet en stelde vast dat er wel degelijk sprake was van een gezagsverhouding, dat de werknemer persoonlijk zijn werkzaamheden verrichtte en loon ontving. Daarom kwalificeerde de Raad de arbeidsverhouding als privaatrechtelijke dienstbetrekking en wees het hoger beroep af.

De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat sprake is van een verzekeringsplichtige privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/5936 ALGEM
02/5937 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 25 oktober 2002 onder kenmerk 01/1681 en 01/2156 door de rechtbank Arnhem gewezen uitspraak.
Namens gedaagde heeft mr. T. Tanghe, werkzaam bij Schuiteman Accountants te Voorthuizen, een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 2 december 2004, waar namens appellant is verschenen mr. H.J. Gansekoele, werkzaam bij het Uwv, en waar voor gedaagde is verschenen mr. Tanghe, voornoemd.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft een groothandel in onderdelen van de machine-industrie. Sinds begin 1998 heeft [werknemer] (hierna: [werknemer]) montagewerkzaamheden voor gedaagde verricht op mechanisch gebied. Naar aanleiding van een bij gedaagde gehouden looncontrole, welke heeft geresulteerd in een looncontrolerapport van 3 november 2000, alsmede een onderzoek gehouden bij de accountant van [werknemer] zoals neergelegd in het rapport van 8 december 2000, heeft appellant bij de bestreden besluiten van 17 augustus 2001 en 3 december 2001 zijn standpunt gehandhaafd dat [werknemer] voor gedaagde in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding werkzaam is geweest.
De rechtbank heeft het door gedaagde ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en beslissingen gegeven ter zake van proceskosten en griffierecht. De rechtbank is van oordeel dat de aan de bestreden besluiten ten grondslag liggende onderzoeksrapporten onvoldoende zijn om te kunnen concluderen dat sprake is van een gezagsverhouding.
De Raad kan de rechtbank hierin niet volgen. Blijkens de bevindingen van voornoemde onderzoeksrapporten is [werknemer] in dienst van gedaagde werkzaam geweest en wordt hij onder meer in vakantieperioden ingeschakeld om met een vaste werknemer van gedaagde storingsdienst te draaien. Daarnaast werd hij vanuit zijn woonplaats in Nederland ingezet op grote projecten, mede in het buitenland, waarbij hij eveneens werkzaam was met het vaste personeel. Hierbij maakte [werknemer] naast eigen handgereedschap en las-apparatuur gebruik van specifiek en kostbaar gereedschap van gedaagde. Uit dit alles volgt naar het oordeel van de Raad dat sprake is van een gezagsverhouding tussen gedaagde en [werknemer]. Nu niet is betwist dat [werknemer] zijn werkzaamheden persoon-lijk diende te verrichten en hij hiervoor loon ontving, dient de onderhavige arbeidsverhouding aangemerkt te worden als een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De Raad tekent hierbij aan dat eventuele zelfstandigheid aan een privaatrechtelijke dienstbetrekking niet in de weg staat.
Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
???. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.
(get.) R.C. Stam
(get.) .A. Kovács
He/10124