Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AS2658

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/982 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens herstel arbeidsongeschiktheid steksteekster

Appellante, werkzaam als steksteekster in de tuinbouw, werd aanvankelijk ziekengeld toegekend wegens zwangerschapsklachten en bevalling. Na afloop van haar bevallingsuitkering werd het ziekengeld stopgezet omdat zij volgens de bezwaarverzekeringsarts niet langer ongeschikt was voor haar werk. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij vanwege psychische klachten nog steeds niet kon werken, onderbouwd met medische verklaringen van haar huisarts en een rapport van de Riagg.

De Centrale Raad van Beroep heeft deze medische stukken beoordeeld en concludeerde dat de klachten vooral samenhingen met psychosociale factoren en niet met een zodanige arbeidsongeschiktheid die haar verhinderde haar eenvoudige werk te verrichten. De Raad hechtte vooral waarde aan het rapport van de bezwaarverzekeringsarts, die stelde dat de werkzaamheden niet fors psychisch belastend waren en appellante deze kon uitvoeren.

Gelet op de medische informatie en het dagelijks functioneren van appellante zag de Raad geen reden om het eerdere oordeel te wijzigen en bevestigde het besluit tot weigering van ziekengeld. Hiermee werd het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot weigering van ziekengeld omdat appellante niet langer arbeidsongeschikt was voor haar werk als steksteekster.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/982 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 8 mei 2002 is appellante vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 17 januari 2003 (ZW 02/1342) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. G. Crawford, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 17 november 2004, waar appellante niet verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De voor dit geding relevante feiten zijn in rubriek 2.1. van de aangevallen uitspraak als volgt weergegeven (waarbij partijen zijn aangeduid als eiseres en verweerder):
" Eiseres, geboren in 1965, heeft tot 12 juli 2001 als tuinbouwmedewerkster (steksteekster) gewerkt. Aansluitend is zij door verweerder in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).
Op 16 oktober 2001 heeft eiseres, die op dat moment in het genot van een uitkering ingevolge de WW was, zich in verband met zwangerschapsklachten ziek gemeld; verweerder heeft haar met ingang van die dag uitkering van ziekengeld ingevolge de ZW toegekend.
Op 18 januari 2002 is eiseres bevallen van een zoon. Tot en met 29 maart 2002 heeft zij een bevallingsuitkering ontvangen. Eiseres is van oordeel dat zij ook na die datum nog arbeidsongeschikt is."
In dit geding is aan de orde de vraag of gedaagde terecht heeft besloten om aan appellante met ingang van 15 april 2002 geen ziekengeld meer toe te kennen, omdat zij niet langer ongeschikt was tot het verrichten van haar werk als steksteekster in de tuinbouw.
De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer, zoals vervat in diens rapport van 7 mei 2002. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellante in eerste aanleg geen medische informatie heeft overgelegd, die een ander licht werpt op haar gezondheidstoestand en op haar medische beperkingen.
Bij aanvullend beroepschrift heeft appellante benadrukt dat zij met name wegens psychische klachten op de datum in geding haar werk niet kon verrichten.
Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante een beroep gedaan op een brief van haar huisarts van 7 februari 2003 en een rapportage van 10 juni 2002 van de Riagg Rijnmond Noord-West. Ter aanvulling hierop is verder nog overgelegd een brief van de huisarts van 20 mei 2003.
De Raad ziet in de overgelegde medische gegevens onvoldoende reden om te komen tot een ander oordeel dan de rechtbank.
De Raad verwijst in dit verband naar het commentaar van bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer van 28 april 2003. Daarin wordt terecht opgemerkt dat de door de huisarts aanvankelijk gestelde diagnose postpartum depressie niet nader wordt geadstrueerd.
De Riagg heeft voor deze diagnose ook geen aanwijzing gevonden. Volgens de brief van 10 juni 2002 van de Riagg waren de klachten veeleer toe te schrijven aan overbelasting door ziekte van de ouders van appellante, geboorte van het kind en problemen met de uitkering. De diagnose is toen gesteld op een aanpassingsstoornis, niet gespecificeerd. Gelet op deze informatie ziet de Raad onvoldoende reden voor twijfel aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, dat het hier gaat om klachten die appellante – mede in aanmerking genomen haar dagelijks functioneren – niet hoefden te verhinderen haar eenvoudige, niet fors psychisch belastende werk als steksteekster te verrichten.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 december 2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.
Gw