ECLI:NL:CRVB:2004:AS2675
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit beëindiging ziekengeld wegens arbeidsgeschiktheid
Appellante werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op 31 juli 2001 geïnformeerd dat zij vanaf 3 augustus 2001 niet langer wegens ziekte of gebrek ongeschikt was voor haar functie als zwembadmedewerker en dat haar ziekengeld werd stopgezet. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 27 december 2001 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond bij uitspraak van 13 december 2002.
Appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad baseerde zich op de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank en de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, die geen aanleiding gaven om het besluit te herzien. Appellante bracht geen medische gegevens aan die de conclusies van de verzekeringsarts konden weerleggen.
De Raad concludeerde dat het besluit van het Uwv terecht was genomen en dat appellante vanaf 3 augustus 2001 niet meer ongeschikt was voor haar arbeid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld bevestigd.