ECLI:NL:CRVB:2004:AS2681
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit dat appellant niet langer ongeschikt is tot arbeid
Appellant, werkzaam als timmerman in een familiebedrijf voor 12 uur per week, meldde zich op 17 april 2000 wegens psychische klachten ziek. Op 13 juni 2000 werd door een verzekeringsarts vastgesteld dat appellant geen emotionele labiliteit vertoonde en niet langer ongeschikt was voor arbeid. Dit leidde tot het besluit van 13 juni 2000 om met ingang van 14 juni 2000 het ziekengeld stop te zetten.
In de bezwaarprocedure rapporteerde een bezwaarverzekeringsarts, mede op basis van informatie van de huisarts van appellant, dat er geen medische gronden waren om appellant ongeschikt te achten voor zijn werk als meubelmaker. De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond, waarbij zij de weigering van appellant om mee te werken aan een deskundigenonderzoek meewoog.
Appellant kwam in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep zag geen reden om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen op verantwoorde wijze hadden geconcludeerd dat appellant op de datum in kwestie niet ongeschikt was tot arbeid. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet langer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.