ECLI:NL:CRVB:2004:AS2780

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/563 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van vaststelling arbeidsongeschiktheid bij WAZ-uitkering

Appellante, voormalig directeur/aandeelhouder van een slagerij, staakte haar werkzaamheden op 1 januari 1999 wegens voetklachten. Na de wettelijke wachttijd kende het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) haar bij besluit van 13 maart 2001 een WAZ-uitkering toe, berekend op een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% met ingang van 31 december 1999. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 14 november 2001 werd afgewezen.

De rechtbank ’s-Hertogenbosch bevestigde het besluit en oordeelde dat er onvoldoende aanknopingspunten waren om de medische beperkingen van appellante onjuist vastgesteld te achten. Tevens werden de door gedaagde aangeduide functies als algemeen geaccepteerde arbeid beschouwd die appellante zou moeten kunnen verrichten.

In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt en overhandigde een nieuw medisch journaal van haar huisarts. De Centrale Raad van Beroep vond dit niet voldoende aanleiding om het eerdere oordeel te wijzigen en onderschreef de overwegingen van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 25 tot 35% wordt bevestigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/563 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. L.M.P. van Zandvoort, advocaat te ’s-Hertogenbosch, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 13 januari 2003, onder reg.nr.: AWB 01/2950 WAZ, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op
17 november 2004, waar partijen - gedaagde met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij de aangevallen uitspraak zijn de voor dit geding relevante vaststaande feiten en omstandigheden als volgt weergegeven (waarbij appellante als eiseres en gedaagde als verweerder is aangeduid):
" Eiseres is laatstelijk werkzaam geweest als directeur/aandeelhouder slagerij.
Op 1 januari 1999 heeft eiseres deze werkzaamheden moeten staken wegens voetklachten. Na afloop van de wettelijk voorgeschreven wachttijd heeft verweerder eiseres bij besluit van 13 maart 2001 met ingang van 31 december 1999 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigheden (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Het tegen dit besluit bij brief van 5 april 2001 ingediende bezwaar is door verweerder bij besluit van 14 november 2001 ongegrond verklaard onder handhaving van het eerder ingenomen standpunt in het besluit van 13 maart 2001."
In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagde bij het bestreden besluit van
14 november 2001 terecht is uitgegaan van een mate van arbeidsongeschiktheid van
25 tot 35%.
De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord en daartoe - kort gezegd - overwogen dat in de voorhanden zijnde medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellante op de datum in geding op een onjuiste wijze zijn vastgesteld. Voorts acht de rechtbank de door gedaagde geduide functies als algemeen geaccepteerde arbeid, welke appellante moet kunnen verrichten.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
In hoger beroep heeft appellante haar ingenomen standpunt onverminderd gehandhaafd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij een nieuw medisch journaal van de huisarts overgelegd. De Raad ziet ook in dit medisch gegeven onvoldoende reden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Raad verwijst in dit verband naar het commentaar van gedaagde, zoals weergegeven in het verweerschrift.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 december 2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.
Gw