Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AS3140

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/3968 WVG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:88 AwbArt. 18 BeroepswetAfdeling 8.2.6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring Raad voor de Rechtspraak inzake hoger beroep tegen afwijzing verzoek herziening

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden waarin een verzoek om herziening van een eerdere uitspraak werd afgewezen. De oorspronkelijke uitspraak van de rechtbank had een beroep ongegrond verklaard tegen een besluit van het College van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.

De Raad overwoog dat het bestreden besluit een besluit is als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onder b, van de Beroepswet, maar dat de aangevallen uitspraak, namelijk de afwijzing van het verzoek om herziening, niet valt onder de categorieën van uitspraken waartegen hoger beroep openstaat volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bijzondere karakter van het rechtsmiddel herziening maakt dat tegen de beslissing op het verzoek om herziening geen hoger beroep mogelijk is.

Daarom verklaarde de Raad zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Tevens achtte de Raad geen grond aanwezig voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 29 december 2004 in het openbaar gewezen door de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De Raad verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek om herziening.

Uitspraak

04/3968 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Ter griffie van de Raad is op 15 juli 2004 ingekomen een door de griffier van de Raad van State met toepassing van artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht aan de Raad doorgezonden beroepschrift gericht tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 23 april 2004, reg.nr. 03/89 WVG.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 17 november 2004, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij uitspraak van 22 april 1999 heeft de rechtbank het door appellante tegen het besluit van gedaagde van 26 mei 1997 (het bestreden besluit) ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellante heeft om herziening verzocht van evenbedoelde uitspraak. Dit verzoek is door de rechtbank bij haar uitspraak van 23 april 2004 met toepassing van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.
Appellante heeft tegen laatstbedoelde uitspraak hoger beroep ingesteld.
De Raad overweegt het volgende.
In artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet is bepaald dat een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep kunnen instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb en tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:86 van Pro die wet, inzake:
a. – kort gezegd – ambtenarenzaken, en b. besluiten, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij de Beroepswet hoort.
Het bestreden besluit is een besluit als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onder b, van de Beroepswet. De aangevallen uitspraak, inhoudende afwijzing van een verzoek om herziening, is echter niet een uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb, noch een uitspraak als bedoeld in artikel 8:86 van Pro de Awb of een daarmee op een lijn te stellen uitspraak ten gronde die volgt na een toewijzing van het verzoek om herziening, doch een uitspraak als bedoeld in titel 8.4 van de Awb. Voorts wijst de Raad op het karakter van het bijzondere rechtsmiddel herziening, dat in zijn ogen tevens grond biedt voor het oordeel dat terzake van de beslissing op het verzoek om herziening niet het gewone rechtsmiddel van hoger beroep open kan staan.
Tegen de aangevallen uitspraak kan daarom geen hoger beroep worden ingesteld. De Raad is daarom niet bevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
De Raad zal zich derhalve onbevoegd verklaren.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart zich onbevoegd.
Aldus gewezen door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 december 2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
GdJ/111