Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AS3234

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/6260 WVG-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Th.G.M. Simons
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:86 AwbArt. 21 BeroepswetWet voorzieningen gehandicapten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening sportrolstoel gemeente Hoorn

Verzoekster heeft bij het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn een aanvraag ingediend voor een sportrolstoel met een aankoppelbike, bedoeld om licht te kunnen rijden op bospaadjes, duinen en strand en om te trainen voor langeafstandswedstrijden. Dit verzoek werd op 3 oktober 2003 afgewezen en het bezwaar daartegen werd op 27 januari 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel in haar uitspraak.

Verzoekster stelde dat het gebruik van de sportrolstoel haar lichamelijke conditie en geestelijk welbevinden zou verbeteren en dat het uitblijven van de voorziening tot medische achteruitgang zou leiden. Desondanks oordeelde de voorzieningenrechter dat op basis van de beschikbare stukken geen spoedeisend belang kon worden aangenomen dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

De voorzieningenrechter wees het verzoek af omdat het niet aannemelijk was dat de situatie van verzoekster zodanig urgent was dat de uitspraak in de hoofdzaak niet kon worden afgewacht. Ook werd benadrukt dat de mogelijkheid van een voorlopige voorziening niet bedoeld is om de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen door middel van kortsluiting.

De uitspraak werd gedaan op 22 december 2004 door mr. drs. Th.G.M. Simons, in aanwezigheid van griffier mr. I.D. Veldman.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor een sportrolstoel wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

04/6260 WVG-VV
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet, in het geding tussen:
[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, gedaagde.
I. INLEIDING
Namens verzoekster heeft haar bewindvoerder C.M.H. Hageraats (hierna: gemachtigde) hoger beroep ingesteld
(bij de Raad aanhangig onder reg.nr. 04/6135 WVG) tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 29 september 2004, reg.nr. WVG 04/448.
Namens verzoekster heeft de gemachtigde tevens verzocht om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
II. MOTIVERING
Bij besluit van 3 oktober 2003 heeft gedaagde, toepassing gevend aan de Wet voorzieningen gehandicapten en de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Hoorn, de aanvraag van verzoekster om een voorziening in de vorm van een sportrolstoel met een zogenoemde “aankoppelbike” afgewezen. Uit de aanvraag komt naar voren dat de voorziening wordt gevraagd omdat verzoekster graag licht wil rijden op bospaadjes, duinen en stand en wil trainen voor lange- afstandwedstrijden en verzoekster hiervoor vanwege haar handicap een sportrolstoel nodig heeft.
Bij besluit van 27 januari 2004 heeft gedaagde het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 3 oktober 2003 ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag het oordeel van gedaagde dat in de - specifieke - omstandigheden van verzoekster een sportrolstoel geen verantwoorde voorziening is.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoekster tegen het besluit van 27 januari 2004 ongegrond verklaard.
De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Awb in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Volgens - inmiddels - vaste rechtspraak van de Raad (vgl. de uitspraak van 2 december 2003, gepubliceerd in AB 2004,
nr. 186) is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen, niet bedoeld om door middel van de zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.
In hetgeen de gemachtigde - die naar de voorzieningenrechter is gebleken tot en met 24 december 2004 in het buitenland verblijft - in het hoger-beroepschrift/tevens verzoek om voorlopige voorziening van 9 november 2004 heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunt voor het aannemen van een zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht. Dat geldt ook voor het geval zou moeten worden uitgegaan van de juistheid van de stelling dat het gebruik kunnen maken door verzoekster van de sportrolstoel haar lichamelijke conditie en haar geestelijk welbevinden zou verbeteren. Dat sprake zou zijn van een medische achteruitgang bij het - voorshands - uitblijven van de gevraagde voorziening, kan op grond van de beschikbare gedingstukken voorts niet worden aangenomen.
Het verzoek om voorlopige voorziening is dan ook kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak kan doen zonder toepassing van artikel 8:83, eerste lid, van de Awb.
Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) I.D. Veldman.