ECLI:NL:CRVB:2004:AS3253
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling AOW-pensioen op gehuwdennorm bij gezamenlijke huishouding ongehuwde meerderjarigen
Verzoeker maakte bezwaar tegen de vaststelling van zijn AOW-pensioen op de gehuwdennorm, omdat hij meende dat niet voldaan werd aan het criterium van wederzijdse zorg binnen de gezamenlijke huishouding met zijn partner. De rechtbank had zijn bezwaar ongegrond verklaard en de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De voorzieningenrechter overwoog dat volgens vaste rechtspraak wederzijdse zorg kan blijken uit financiële verstrengeling die verder gaat dan alleen het delen van woonlasten. Indien die verstrengeling beperkt is, kunnen andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om te concluderen dat er sprake is van wederzijdse zorg. Op basis van een huisbezoek en een checklistonderzoek achtte de voorzieningenrechter het aannemelijk dat sprake was van wederzijdse zorg.
Daarmee voldeed verzoeker aan de criteria van artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, en vierde lid van de AOW, waardoor hij als gehuwd moest worden aangemerkt. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat geen spoedeisend belang bestond. Verzoeker werd niet in de proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: Het AOW-pensioen van verzoeker is terecht op de gehuwdennorm vastgesteld en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.