Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AS3258

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/5278 WAO-VV + 04/5280 WAO-VV + 04/5281 WAO-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling UWV in proceskosten na intrekking hoger beroep en nieuwe beslissing op bezwaar

De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening in een geschil over de WAO-VV. De rechtbank ’s-Hertogenbosch had het beroep van verzoeker gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, waarna gedaagde werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. Gedaagde stelde hoger beroep in, maar trok dit later in. Vervolgens werd een nieuwe beslissing op bezwaar genomen die tegemoet kwam aan het verzoek van verzoeker.

Naar aanleiding hiervan werd het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. Verzoeker vroeg vervolgens om veroordeling van gedaagde in de proceskosten. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat gedaagde aan het verzoek van verzoeker was tegemoetgekomen door het nieuwe besluit en dat daarom toepassing kon worden gegeven aan artikel 8:75a van de Awb in samenhang met artikel 8:75 Awb Pro.

De voorzieningenrechter veroordeelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot betaling van proceskosten van € 322,- aan verzoeker. De uitspraak werd gedaan door mr. J. Janssen in aanwezigheid van griffier E. Blijleven-de Vries op 23 november 2004.

Uitkomst: Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is veroordeeld tot betaling van € 322,- aan proceskosten.

Uitspraak

04/5278 WAO-VV
04/5280 WAO-VV
04/5281 WAO-VV
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENININGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet inzake de kosten van het geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. INLEIDING
Bij uitspraak van 30 juli 2004 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, nummer AWB 03/2782 WAO, is het namens verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Aan gedaagde is opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Gedaagde heeft bij brief van 10 september 2004 hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
Bij brief van 16 september 2004 is aan gedaagde de gelegenheid geboden om binnen vier weken na dagtekening van deze brief de gronden van het beroepschrift in te dienen.
Namens verzoeker heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten, bij brief van 23 september 2004 verzocht een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bij schrijven van 11 oktober 2004 heeft gedaagde het ingestelde hoger beroep ingetrokken.
Hierop heeft mr. Bouts voornoemd, namens verzoeker bij schrijven van 12 oktober 2004, het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht gedaagde in de proceskosten te veroordelen.
Bij schrijven van 19 oktober 2004 heeft de Raad een afschrift van de nieuwe beslissing op bezwaar ontvangen.
Gedaagde heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om met betrekking tot het verzoek om vergoeding van de proceskosten een verweerschrift in te dienen.
Elk der partijen heeft, desgevraagd, schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.
II. MOTIVERING
Artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in het geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.
Artikel 8:84, vierde lid, van de Awb verklaart de artikelen 8:75 en 8:75a voormeld van overeenkomstige toepassing waar het een voorlopige voorziening betreft.
Aan de intrekking van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ligt ten grondslag dat, nu het hoger beroep is ingetrokken en er een nieuwe beslissing op bezwaar is genomen, uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 30 juli 2004.
De voorzieningenrechter stelt vast dat gedaagde daarmee aan het namens verzoeker ingediende verzoek om een voorlopige voorziening is tegemoetgekomen.
Gelet op het voorgaande zijn termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:75 van Pro de Awb, en gedaagde te veroordelen in de kosten. Deze kosten worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 november 2004.
(get.) J. Janssen
(get.) E. Blijleven- de Vries