ECLI:NL:CRVB:2004:AS3638
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Ch.J.G. Olde Kalter
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking AAW-uitkering wegens onvoldoende zorgvuldigheid en motivering
Appellante ontving een AAW-uitkering wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vanaf 1989. Na onderzoek door het UWV werd de uitkering met terugwerkende kracht per 1 januari 1996 ingetrokken vanwege werkzaamheden en inkomsten uit haar onderneming, waardoor zij niet langer arbeidsongeschikt zou zijn.
Appellante voerde in bezwaar en beroep aan dat zij door haar psychische klachten nog steeds arbeidsongeschikt was. Medisch onderzoek door verzekeringsartsen concludeerde echter dat zij vanaf 1996 volledig arbeidsgeschikt was, mede op basis van haar werkzaamheden in de onderneming. De Raad stelde vast dat het medisch onderzoek niet voldeed aan het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, omdat het oordeel onvoldoende was onderbouwd en niet in overeenstemming met eerdere medische rapporten.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en droeg het UWV op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de AAW-uitkering wordt vernietigd wegens schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.