ECLI:NL:CRVB:2004:AS3645
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. Van Voorst
- Ch.J.G. Olde Kalter
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag arbeidsongeschiktheidsuitkering en bijzonder geval volgens AAW en WAO
Appellant heeft in 1994 een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd wegens sinds 1982 bestaande arbeidsongeschiktheid. Gedaagde heeft de uitkering toegekend met ingang van 1993, omdat geen sprake is van een bijzonder geval dat een eerdere toekenning rechtvaardigt.
Appellant voerde aan dat zijn psychische stoornis vanaf 1981 bestond en dat hij door de invloed van zijn dominante vader niet in staat was eerder een uitkering aan te vragen. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde echter dat appellant wel degelijk inzicht had in zijn klachten en niet in de onmogelijkheid verkeerde om een aanvraag te doen.
De rechtbank en de Raad onderschrijven deze beoordeling. Uit medische rapporten blijkt dat appellant vanaf 1982 medische hulp zocht, pogingen deed om te werken en een opleiding volgde. De Raad oordeelt dat appellant redelijkerwijs voldoende inzicht had in zijn situatie en dat er geen reden is om te twijfelen aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat geen sprake is van een bijzonder geval voor eerdere uitkeringsdatum.