Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AS4588

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/3800 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
  • H. Bolt
  • A.Q.C. Tak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 lid 6 WWArt. 7 lid 1 onder b MaatregelenbesluitWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens prijsgeven loonaanspraken na keuze schadeloosstelling

Appellante was sinds 1989 werkzaam bij Sterpolis Holding N.V. en kreeg per 1 februari 2002 ontslag met een keuze: schadeloosstelling volgens de kantonrechtersformule of voortzetting van de arbeidsovereenkomst tot 1 juli 2002. Zij koos voor de schadeloosstelling en hervatte per 1 april 2002 elders werk.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) kende haar een WW-uitkering toe, maar weigerde deze uitkering geheel tot 1 juli 2002 omdat zij loonaanspraken had prijsgegeven door niet te kiezen voor voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Dit was in strijd met artikel 24, zesde lid, van de WW en het Maatregelenbesluit.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellante onnodig aanspraak maakte op WW-uitkering terwijl zij de arbeidsovereenkomst had kunnen laten voortduren en vanuit die positie ander werk had kunnen zoeken.

Het argument dat de keuze niet reëel was omdat de werkgever minder hoefde te betalen, werd door de Raad niet aanvaard. De Raad vond dat appellante haar keuze volledig kan worden toegerekend en dat de weigering van de WW-uitkering terecht is.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering tot 1 juli 2002 wegens prijsgeven van loonaanspraken.

Uitspraak

03/3800 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is mr. P.H.R. Bruls, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Roermond, in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Maastricht, onder reg.nr. 02/749 WW, op 1 juli 2003 gewezen uitspraak, waarbij het beroep tegen gedaagdes besluit van 18 april 2002 (het bestreden besluit) ongegrond is verklaard.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 november 2004, waar appellante met voorafgaand bericht niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W. Hophener, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellante is sedert 1 september 1989 werkzaam bij de vestiging in Heerlen van (de rechtsvoorganger van) Sterpolis Holding N.V. Na daartoe op 23 november 2001 verkregen toestemming van de Regionaal Directeur Arbeidsvoorziening heeft de werkgever bij brief van 28 november 2001 de arbeidsovereenkomst met appellante opgezegd per 1 februari 2002. Onder verwijzing naar het Sociaal Plan is appellante bij dezelfde brief uitgenodigd haar keuze te bepalen voor aanvaarding van de datum 1 februari 2002 als einddatum van de arbeidsovereenkomst met uitbetaling van een schadeloosstelling berekend overeenkomstig de zogenoemde kantonrechtersformule, volgens opgave van appellante neerkomend op een bedrag van € 31.764,65, dan wel voor het laten voortbestaan van de arbeidsovereenkomst tot 1 juli 2002. Appellante heeft voor de eerste optie gekozen. Ingaande 1 april 2002 heeft zij elders werk hervat.
Bij besluit van 15 maart 2002 heeft gedaagde appellante ingaande 4 februari 2002 WW-uitkering toegekend, maar die bij wijze van maatregel geheel geweigerd tot 1 juli 2002 op de grond dat appellante, door niet te kiezen voor het laten voortbestaan van de arbeidsovereenkomst tot die datum, loonaanspraken heeft prijsgegeven en daarmee de verplichting neergelegd in artikel 24, zesde lid, van de WW, om zich zodanig te gedragen dat de daar genoemde fondsen niet benadeeld worden of zouden kunnen worden, niet is nagekomen.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde die weigering gehandhaafd. Verwezen is naar artikel 7, eerste lid, onder b, van het Maatregelenbesluit dat voorschrijft dat ingeval door de wijze van beëindiging van de dienstbetrekking loonaanspraken worden prijsgegeven, de uitkering geheel wordt geweigerd voor de duur dat de verzekerde aanspraak op loon zou hebben kunnen doen gelden, dan wel de dienstbetrekking zou hebben kunnen voortduren.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante, ook al heeft de opzegging per 1 februari 2002 door de werkgever op rechtsgeldige wijze plaatsgehad, de haar door gedaagde verweten benadelingshandeling heeft gepleegd. Zij had immers in dienst kunnen blijven bij de werkgever en van daaruit ander werk kunnen zoeken. Door in te stemmen met ontslag per 1 februari 2002 maakt zij onnodig aanspraak op WW-uitkering.
Het argument van appellante dat de keuze tussen aanvaarding van 2 februari 2002 als einddatum van de arbeidsovereenkomst met genoemde schadeloosstelling of 1 juli 2002 met doorbetaling van loon over vijf maanden vanaf 1 februari 2002 voor haar geen reële keus was omdat daarmee de werkgever volgens opgave van appellante € 22.549,55 minder zou hoeven te betalen, kan de Raad niet onderschrijven. In die omstandigheid kan de Raad evenmin reden zien dat appellante haar keus niet of in verminderde mate kan worden verweten. Uit een oogpunt van toepassing van de WW kon van appellante gevergd worden de arbeidsovereenkomst zo lang mogelijk te laten voort duren.
Op grond van het voren overwogene wordt geconcludeerd dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en prof. mr. A.Q.C. Tak als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2004.
(get.) M.A. Hoogeveen
(get.) M.D.F. de Moor