Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AS2084

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/178 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 lid 3 Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemelde inkomsten zonder dringende redenen

Appellant kreeg bijstand over de periode van april tot oktober 1999, waarbij inkomsten uit werkzaamheden niet waren gemeld. Het College van burgemeester en wethouders van Deventer herzag de bijstand en vorderde het teveel betaalde bedrag van €5.830,32 terug. Appellant voerde aan dat hij de inkomsten nodig had voor de medische behandeling van zijn moeder en dat hij daarom niet kon melden, wat volgens hem dringende redenen vormde om terugvordering te voorkomen.

De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat dringende redenen in de zin van artikel 78, derde lid, van de Algemene bijstandswet alleen kunnen bestaan uit onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van terugvordering voor de betrokkene zelf, en niet uit verontschuldigingen voor het niet melden van inkomsten.

De door appellant overgelegde medische verklaringen mochten worden meegewogen omdat deze tijdig waren ingediend en het bestuursorgaan hierop kon reageren. Uiteindelijk concludeerde de Raad dat de omstandigheden van appellant geen dringende redenen vormden om van terugvordering af te zien, waardoor het hoger beroep werd afgewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens ontbreken van dringende redenen om daarvan af te zien.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/178 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. R.M.J. Lanting, advocaat te Deventer, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 4 december 2002, reg.nr. 02/469 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant en gedaagde hebben nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 23 november 2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. R.H.H. Schepers, advocaat te Deventer, en gedaagde door K. Pinkster, werkzaam bij de gemeente Deventer.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 16 oktober 2001 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant over de periode van 19 april 1999 tot en met 15 oktober 1999 herzien en de als gevolg van de herziening ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van ƒ 12.848,33 (€ 5.830,32) teruggevorderd. Hierbij heeft gedaagde overwogen dat appellant en zijn echtgenote over deze periode inkomsten uit werkzaamheden hebben ontvangen waarmee bij de bijstandsverlening geen rekening is gehouden.
Bij besluit van 19 maart 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 16 oktober 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 maart 2002 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellant enkel betrekking heeft op het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan gedaagde bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Ingevolge artikel 78, derde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) kunnen burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
De Raad volgt gedaagde niet in diens grief dat de beide door appellant overgelegde medische verklaringen niet meegenomen zouden mogen worden bij de beoordeling van het hoger beroep. Wanneer, zoals in het onderhavige geval, aanvullende stukken ter staving van het ingenomen standpunt tijdig ter kennis zijn gebracht van de Raad en het bestuursorgaan in de gelegenheid is geweest gemotiveerd op deze stukken te reageren, staat geen geschreven of ongeschreven rechtsregel eraan in de weg deze stukken in de rechterlijke beoordeling te betrekken. Niet is gebleken dat appellant met het overleggen van de beide medische verklaringen buiten de grenzen van het geschil is getreden of in een eerdere fase van de procedure welbewust ervan heeft afgezien bepaalde (mogelijke) gebreken van het besluit van 19 maart 2002 aan de orde te stellen.
Appellant stelt dat hij de inkomsten, die hij aan gedaagde had moeten melden, niet heeft opgeven omdat hij deze inkomsten, naast zijn bijstandsuitkering, nodig had om zijn moeder een medische behandeling te laten ondergaan. Zijn persoonlijkheid zou gedesintegreerd zijn geraakt indien hij zijn moeder niet had geholpen. Omdat hij niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan is er, volgens appellant, sprake van dringende redenen op grond waarvan gedaagde van gehele of gedeeltelijke terugvordering had moeten afzien.
De Raad stelt voorop dat dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw enkel betrekking kunnen hebben op de gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Verontschuldigingen voor de gedragingen die ertoe hebben geleid dat de betrokkene ten onrechte bijstand heeft verkregen zijn niet aan te merken als dringende redenen in de zin van artikel 78, derde lid, van de Abw.
Dringende redenen kunnen naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 19 december 2002, gepubliceerd in RSV 2003/42 en USZ 2003/67) slechts zijn gelegen in de onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.
De Raad stelt vast dat hetgeen door appellant is aangevoerd betrekking heeft op de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat hij ten onrechte bijstand heeft ontvangen.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat deze omstandigheden geen dringende redenen vormen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw. Ook overigens zijn de Raad geen dringende redenen gebleken. Gedaagde was derhalve niet bevoegd om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aange-vallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2005.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) S.W.H. Peeters.