ECLI:NL:CRVB:2005:AS2422
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van hoogte en wijze van vaststelling vervolgdagloon bij WAO-uitkering
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de verlaging van zijn vervolgdagloon bij een WAO-uitkering. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de bij hem gewekte verwachtingen gedragsbepalend waren geweest. Appellant stelde in hoger beroep dat hij zich anders had verzekerd, maar kon dit niet aantonen.
De Raad stelde vast dat het risico waarvoor verzekering gewenst zou zijn, al was ingetreden ten tijde van het besluit. Ook ontbrak het aan bewijs voor de door appellant gestelde schade, ondanks een door hem overgelegde berekening. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de WAO dwingend voorschrijft hoe het vervolgdagloon moet worden berekend.
De Raad concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden waren om de toezeggingen in het besluit van 16 december 1997 contra legem te honoreren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging van het vervolgdagloon bevestigd.