ECLI:NL:CRVB:2005:AS3148

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1144 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.G.M. Simons
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar bij brief over schuld en aflossingscapaciteit bij bijstand

Appellant ontving van 1995 tot 2000 een bijstandsuitkering in de vorm van een geldlening vanwege het bezit van een eigen woning. In een brief van 11 oktober 2001 informeerde het College van burgemeester en wethouders van Maastricht appellant over zijn schuld en de jaarlijkse herziening van zijn aflossingscapaciteit.

Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, stellende dat hij verplicht werd op een minimumniveau te leven en dit jaarlijks moest verantwoorden. Het College verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Maastricht vernietigde dit besluit en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, omdat de brief geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb betrof.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de brief niet gericht was op enig rechtsgevolg en daarmee geen besluit vormde. Hierdoor kon de Raad niet ingaan op de overige argumenten van appellant. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de brief geen besluit is en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/1144 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 januari 2003, reg.nr. 02/315 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 november 2004, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant heeft in de periode van 11 december 1995 tot en met 17 november 2000 een bijstandsuitkering ontvangen, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet. In verband met het bezit van een eigen woning is de bijstand verstrekt in de vorm van een geldlening op basis van een krediethypotheek. Daarbij is bepaald dat na beëindiging van de bijstandsverlening wordt afgelost.
Bij brief van 11 oktober 2001 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat zijn schuld f 100.787,13 bedraagt in verband met de aan hem verstrekte bijstand. Tevens heeft gedaagde daarbij aangegeven dat appellant op dat moment geen aflossingscapaciteit heeft aangezien hij inteert op zijn vermogen, en voorts aangekondigd dat jaarlijks (ingaande
1 januari 2002) zijn aflossingscapaciteit zal worden herzien.
Bij besluit van 25 januari 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen de brief van 11 oktober 2001 ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het besluit van 25 januari 2002 beroep ingesteld op de grond - kort samengevat - dat hij door gedaagde verplicht wordt op een minimumniveau te leven en hij dit ook nog jaarlijks moet verantwoorden.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent het griffierecht - het beroep tegen het besluit van 25 januari 2002 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd op de grond dat gedaagde het bezwaar van appellant ten onrechte ontvankelijk heeft geacht, en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank heeft haar uitspraak gebaseerd op het oordeel dat de mededelingen in de brief van 11 oktober 2001 niet gericht zijn op enig rechtsgevolg, zodat het bezwaar zich niet richt tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Hieruit volgt dat de Raad niet kan ingaan op hetgeen overigens door appellant in hoger beroep naar voren is gebracht.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van mr. I.D.Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) I.D. Veldman.
GdJ
2812