ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/4921 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
  • J.Th. Wolleswinkel
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:88 AwbArt. 8:75 AwbArt. 33 zevende lid Burgerlijk ambtenarenreglement defensie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening van bestuursrechtelijke uitspraak over schadevergoeding ambtenaar

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een uitspraak van 14 februari 2002 waarin het bestuursorgaan bevoegd werd geacht om een beperkte schadevergoeding toe te kennen na intrekking van verlof. Verzoeker betwist de bevoegdheid van de functionaris die het verlof introk en het bestuursorgaan dat de schadevergoeding toekende. Hij stelt schade te hebben geleden en wenst vergoeding.

De Raad overweegt dat het verzoek niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8:88 Awb Pro, omdat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die voor de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn. De Raad benadrukt dat het rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is voor een hernieuwde discussie over de zaak of de juistheid van de uitspraak.

De Raad concludeert dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen en ziet geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 13 januari 2005 door de voorzitter en leden van de Raad.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

02/4921 AW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, op het verzoek van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
om herziening van de uitspraak van de Raad van 14 februari 2002, nrs. 98/1900 MAW en 98/2837 MAW.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verzoeker heeft bij faxschrijven van 18 september 2002, nader aangevuld bij faxschrijven van 18 januari 2003, verzocht om herziening van bovenvermelde uitspraak, naar welke uitspraak hierbij wordt verwezen.
Namens de Commandant Nationaal Commando, rechtsopvolger van de in de uitspraak van 14 februari 2002 als gedaagde aangeduide Commandant 785 Electronische Centrale Werkplaats, is bij brief van 9 december 2002 op het verzoek om herziening gereageerd.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 3 december 2004, waar verzoeker in persoon is verschenen en waar namens de rechtsopvolger van de Commandant Nationaal Commando, de Commandant Operationeel Commando, is verschenen mr. M.A. Suwout, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.
II. MOTIVERING
1. Ingevolge artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet, kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad op verzoek van een partij, worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. Bij de uitspraak van 14 februari 2002 heeft de Raad, met vernietiging van de aangevallen uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 maart 1998, nr. AWB 96/4046 MAWKLA, (onder meer) geoordeeld dat de Commandant 785 Electronische Centrale Werkplaats ten tijde van de toekenning van de (beperkte) schadevergoeding na de intrekking van een reeds verleende toestemming om op vakantie te gaan, bevoegd was daarover een besluit te nemen en voorts dat het besluit tot vergoeding van uitsluitend de feitelijk gemaakte kosten in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 33, zevende lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.
3. In zijn verzoek om herziening heeft verzoeker aangegeven het niet eens te zijn met de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd. Bij verzoeker is twijfel ontstaan aan de bevoegdheid van de functionaris die indertijd heeft beslist om zijn verlof in te trekken en aan de bevoegdheid van het desbetreffende bestuursorgaan om schade te vergoeden ten tijde van de indiening van zijn declaraties. Verzoeker heeft zijn vertrouwen in gedaagde verloren en heeft inmiddels de dienst verlaten. Als gevolg daarvan heeft hij schade geleden en lijdt hij die nog steeds. Hij wenst dat deze schade door gedaagde wordt vergoed.
4. De Raad overweegt dat de door verzoeker aangevoerde argumenten niet kunnen slagen omdat niet is voldaan aan het in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb neergelegde vereiste dat sprake is van feiten en omstandigheden die bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Verzoeker heeft geen feiten en omstandigheden genoemd die niet reeds in de oorspronkelijke procedure aan de orde zijn gesteld dan wel konden worden gesteld. De Raad wijst verzoeker er voorts op dat volgens vaste rechtspraak het bijzondere rechts-middel van herziening niet is gegeven om - eventueel op basis van andere argumenten - een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.
5. Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2005.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) E. Blijleven-de Vries.
HD
30.12