Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3560

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/744 WAO + 02/1115 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak over WAO-uitkering en maatmaninkomen zonder verhoging arbeidsongeschiktheidspercentage

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch over zijn WAO-uitkering. De rechtbank had vastgesteld dat appellant recht had op een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%, gebaseerd op een maatmaninkomen van f 23,22 per uur.

Appellant voerde aan dat het maatmaninkomen gecorrigeerd moest worden met een CAO-verhoging en SAO-toeslag tot f 24,09 per uur, wat volgens hem een hogere mate van arbeidsongeschiktheid zou rechtvaardigen. Gedaagde stelde echter dat deze correctie niet zou leiden tot een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse dan 15 tot 25%, maar had zich neergelegd bij de eerdere uitspraak.

De Raad heeft getracht appellant te bereiken voor een reactie, maar zonder succes. Tijdens de zitting waren partijen niet aanwezig. De Raad onderschreef de overweging van de rechtbank dat de correctie van het maatmaninkomen niet leidt tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de correctie van het maatmaninkomen niet leidt tot een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

02/744 WAO + 02/1115 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 18 december 2001, reg.nrs. AWB 00/7150 en AWB 01/1022, naar welke uitspraak hierbij kortheidshalve wordt verwezen.
De gemachtigde van appellant, mr. J.J.J.M. van Ruth, advocaat te Asten, heeft bij aanvullend beroepschrift van 19 maart 2002 aangevoerd dat de rechtbank weliswaar terecht heeft bepaald dat appellant met ingang van 6 maart 2000 recht heeft op een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, maar dat de rechtbank daarbij van een hoger maatmaninkomen dan f 23,22 per uur had moeten uitgaan.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 26 april 2004 heeft gedaagde, onder verwijzing naar een daarbij meegezonden arbeidskundig rapport van 23 april 2004, naar aanleiding van een door de Raad gestelde vraag te kennen gegeven dat het maatmaninkomen moet worden gecorrigeerd met de door appellant bedoelde CAO-verhoging en SAO-toeslag en dat het maatmaninkomen nader wordt vastgesteld op het door appellants gemachtigde genoemde bedrag van f 24,09. Gedaagde heeft daaraan toegevoegd dat het gecorrigeerde maatmaninkomen, afgezet tegen het juiste bedrag van de resterende verdiencapaciteit, nog steeds leidt tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%, maar dat hij nu eenmaal in de aangevallen uitspraak heeft berust en aan die uitspraak uitvoering heeft gegeven.
De Raad heeft daarop herhaaldelijk getracht van appellant een reactie op gedaagdes schrijven van 26 april 2004 en het bijbehorende arbeidskundige rapport te verkrijgen, maar dat is niet gelukt. De gemachtigde van appellant heeft bericht dat hij geen contact heeft kunnen krijgen met zijn cliënt en appellant heeft niet gereageerd op door de Raad vervolgens rechtstreeks aan hem gerichte brieven.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 november 2004, waar partijen niet zijn verschenen. Gedaagde heeft voor de zitting schriftelijk bericht zich niet te zullen laten vertegenwoordigen. Van appellant is taal noch teken vernomen.
II. MOTIVERING
De rechtbank heeft in het in hoger beroep aangevochten gedeelte van de aangevallen uitspraak overwogen dat hetgeen door appellant pas ter zitting is aangevoerd omtrent de hoogte van het maatmaninkomen - dat volgens appellant in verband met onder meer een CAO-verhoging gesteld zou moeten worden op f 24,09 - verder buiten bespreking kan blijven, nu dit in ieder geval niet zou kunnen leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan 25 tot 35%.
De Raad onderschrijft deze overweging van de rechtbank als juist en heeft daaraan niets toe te voegen, te minder nu gedaagde het maatmaninkomen inmiddels nader heeft vastgesteld op het door appellant gewenste bedrag en appellant vervolgens niets meer van zich heeft laten horen.
De aangevallen uitspraak komt bijgevolg voor bevestiging in aanmerking voor zover aangevochten.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. S.K. Welbedacht als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.