ECLI:NL:CRVB:2005:AS3626
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- E. Aardema
- Rechtspraak.nl
Herziening boeteoplegging en premieheffing voor taxi-chauffeurs wegens verzekeringsplicht en redelijke termijn
In deze zaak stond de verzekeringsplicht van taxi-chauffeurs bij appellante centraal, evenals de rechtmatigheid van aanvullende premieheffingen en boeteopleggingen over de jaren 1993 tot en met 1998. Appellante betwistte de verzekeringsplicht vanaf 1998, de hoogte van het premieloon en de boetes wegens vermeende opzet of grove schuld.
De Raad oordeelde dat de chauffeurs terecht als verplicht verzekerd werden aangemerkt, omdat zij niet beschikten over taxivergunningen en afhankelijk waren van appellante. De stelling dat vanaf 1998 geen verzekeringsplicht zou gelden, werd verworpen omdat de arbeidsverhoudingen niet wezenlijk waren gewijzigd en chauffeurs nog steeds reden op de vergunning van appellante.
De boetenota’s over 1993 tot en met 1995 werden vernietigd omdat appellante een pleitbaar standpunt innam op basis van adviezen en eerdere jurisprudentie. Voor de boetes over 1996 en 1997 werd matiging toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De premiecorrecties werden bevestigd. De Raad veroordeelde gedaagde tot vergoeding van proceskosten aan appellante.
Uitkomst: Boetenota’s 1993-1995 vernietigd, boetes 1996-1997 gematigd, premieheffing en verzekeringsplicht bevestigd.