Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3846

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/449 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 AbwArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 1 Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en IoazArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens ontbreken geldige verblijfstitel

Appellant, afkomstig uit Wit-Rusland, ontving vanaf december 1998 algemene bijstand. De Staatssecretaris van Justitie wees in juni 2001 zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning af en verklaarde hem ongewenst. Naar aanleiding hiervan trok de gemeente Eindhoven in augustus 2001 de bijstandsuitkering met ingang van 8 juni 2001 in. Het bezwaar van appellant tegen deze intrekking werd door de gemeente ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde dit in december 2002.

Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat appellant geen recht had op bijstand omdat hij niet kon worden gelijkgesteld aan een Nederlander op grond van de relevante bepalingen van de Algemene bijstandswet en de Vreemdelingenwet 2000. Ook het argument dat intrekking in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM Pro werd verworpen, omdat de maatregel niet neerkomt op foltering, onmenselijke of vernederende behandeling.

De Raad bevestigde daarmee het besluit tot intrekking van de bijstand met ingang van 8 juni 2001 en zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd op 25 januari 2005 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel wordt bevestigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/449 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. W. Nass, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 december 2002, reg.nr. 02/66 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 5 januari 2005, waar voor appellant mr. Nass is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.J.T.B. Jongeneelen, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten omstandigheden.
Appellant, afkomstig uit Wit-Rusland, ontving met ingang van 1 december 1998 algemene bijstand krachtens de Algemene bijstandswet (Abw).
Bij besluit van 8 juni 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie de aanvraag van appellant van 17 november 1998, om een vergunning tot verblijf op grond van de Vreemdelingenwet, afgewezen en is appellant bij afzonderlijk besluit van 8 juni 2001 ongewenst verklaard. Bij uitspraak van 9 oktober 2002 is het bezwaar tegen de afgewezen aanvraag van 8 juni 2001 door de voorzieningenrechter van de rechtbank ongegrond verklaard.
Bij besluit van 14 augustus 2001 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant met ingang van 8 juni 2001 ingetrokken omdat appellant niet beschikt over een geldige verblijfstitel.
Bij besluit van 20 november 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 augustus 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 november 2001 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt vast dat appellant op grond van het in het besluit van 20 november 2001 weergegeven samenstel van rechtsregels ten tijde hier van belang geen recht kon doen gelden op een uitkering ingevolge de Abw. Appellant kon immers niet met een Nederlander worden gelijkgesteld op grond van artikel 7, tweede lid, van de Abw aangezien hij geen vreemdeling was in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 en hij kon ook niet op grond van artikel 7, derde lid, van de Abw in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz met een Nederlander worden gelijkgesteld.
In de door appellant aangevoerde omstandigheden ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen. Dit geldt eveneens voor de - eerst ter zitting in hoger beroep naar voren gebrachte - grond dat er sprake zou zijn van strijd met artikel 3 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Op grond van dit artikel mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Niet valt in te zien hoe de in dit geding aan de orde zijnde intrekking van het recht op bijstand een schending kan opleveren in vorenbedoelde zin.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het besluit tot intrekking van het recht op bijstand met ingang van 8 juni 2001 terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2005.
(get.) Th. C. van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.