ECLI:NL:CRVB:2005:AS3967
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijstandsuitkering wegens ontbreken verblijfsvergunning
Appellante, van Congolese nationaliteit, diende in 1997 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning die aanvankelijk werd afgewezen, maar in 2003 werd toegekend met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2003. Zij vroeg in 2000 een bijstandsuitkering aan, welke aanvankelijk werd geweigerd wegens het ontbreken van een verblijfsvergunning. Na bezwaar werd de uitkering toegekend vanaf 26 juni 2001, maar de periode daarvoor werd geweigerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat de weigering in strijd was met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag voor Politieke en Burgerlijke Rechten (IVBPR). De Raad oordeelde dat appellante ten tijde van de aanvraag geen recht had op bijstand op grond van de toen geldende Nederlandse wetgeving en dat de Koppelingswet rechtmatig werd toegepast.
De Raad overwoog dat de eerdere bijstand die appellante ontving onder een inmiddels beëindigde regeling viel en dat de latere toekenning van de verblijfsvergunning geen terugwerkende kracht had voor de geweigerde periode. Ook verwees de Raad naar eerdere uitspraken waarin de Koppelingswet werd bevestigd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijstand over de periode zonder verblijfsvergunning.