ECLI:NL:CRVB:2005:AS4009
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag periodieke uitkering vervolgingsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs vervolging
Eiser, geboren in 1922 te Batavia, diende in september 2002 een aanvraag in voor een periodieke uitkering als vervolgingsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij als KNIL-militair circa 21 dagen krijgsgevangenschap had ondergaan tijdens de Japanse bezetting en daarna ondergedoken had gezeten tot het einde van de oorlog.
Verweerster wees de aanvraag af omdat niet voldoende aannemelijk was gemaakt dat eiser vervolging had ondergaan zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet. De Raad toetste dit besluit en constateerde dat er geen objectieve gegevens waren die het verhaal van eiser ondersteunden. Zo werd in het kampenregister van Nederlands-Indië geen vermelding gevonden van een krijgsgevangenenkamp in Buitenzorg en ook in diverse archieven, waaronder het KSB-archief en het Bandung-archief, ontbraken gegevens die de internering bevestigen.
Hoewel in het Nefis-archief een dagrapport uit 1948 werd aangetroffen waarin de naam van eiser voorkwam met de vermelding dat hij KNIL-militair was voor de Japanse bezetting, ontbraken verdere gegevens die de vervolging konden objectiveren. De Raad concludeerde dat het bestreden besluit terecht is genomen en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte vervolging.