ECLI:NL:CRVB:2005:AS4009

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/1885 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag periodieke uitkering vervolgingsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs vervolging

Eiser, geboren in 1922 te Batavia, diende in september 2002 een aanvraag in voor een periodieke uitkering als vervolgingsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij als KNIL-militair circa 21 dagen krijgsgevangenschap had ondergaan tijdens de Japanse bezetting en daarna ondergedoken had gezeten tot het einde van de oorlog.

Verweerster wees de aanvraag af omdat niet voldoende aannemelijk was gemaakt dat eiser vervolging had ondergaan zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet. De Raad toetste dit besluit en constateerde dat er geen objectieve gegevens waren die het verhaal van eiser ondersteunden. Zo werd in het kampenregister van Nederlands-Indië geen vermelding gevonden van een krijgsgevangenenkamp in Buitenzorg en ook in diverse archieven, waaronder het KSB-archief en het Bandung-archief, ontbraken gegevens die de internering bevestigen.

Hoewel in het Nefis-archief een dagrapport uit 1948 werd aangetroffen waarin de naam van eiser voorkwam met de vermelding dat hij KNIL-militair was voor de Japanse bezetting, ontbraken verdere gegevens die de vervolging konden objectiveren. De Raad concludeerde dat het bestreden besluit terecht is genomen en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte vervolging.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/1885 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 10 februari 2004, kenmerk JZ/F60/2004/0074, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 december 2004. Daar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken heeft eiser, die in 1922 is geboren te Batavia in het voormalige Nederlands-Indië, in september 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om hem als vervolgde voor een periodieke uitkering ingevolge de Wet in aanmerking te brengen. In dat verband heeft eiser gesteld dat hij als militair van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger vanaf het begin van de Japanse bezetting ongeveer 21 dagen in krijgs-gevangenschap in een kazerne in Buitenzorg heeft doorgebracht. Daarna wist hij te ontsnappen waarna hij zich tot het eind van de oorlog schuil zou hebben gehouden.
Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 3 juli 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser vervolging in de zin van artikel 2 van Pro de Wet heeft ondergaan.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Die vraag wordt door de Raad bevestigend beantwoord.
Hiertoe acht de Raad doorslaggevend dat in het KSB- archief, het zogeheten Bandung-archief, geen gegevens omtrent eiser zijn gevonden terwijl de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, die de beschikking heeft over onder meer de archieven van Overzeese Pensioenen, evenmin gegevens omtrent eiser heeft aangetroffen die de gestelde internering van eiser zouden hebben kunnen bevestigen. Enkel in het Nefis-archief Buitenkantoor Batavia bevindt zich een dagrapport uit 1948 waarin de naam van eiser alias [naam alias] voorkomt met vermelding dat eiser voor de Japanse bezetting KNIL-militair was. Verder staan er geen gegevens in die het relaas van eiser zouden kunnen objectiveren dan wel een bevestiging vormen van de door hem gestelde vervolging.
Objectieve gegevens die tot een ander oordeel moeten leiden, zijn ook anderszins niet aanwezig. Ook in de kampenlijst van Nederlands-Indië heeft verweerster geen vermel-ding gevonden van een kazerne in Buitenzorg die in gebruik zou zijn geweest als kamp voor krijgsgevangenen. Tegen deze achtergrond heeft verweerster naar het oordeel van de Raad op goede gronden de aanvraag van eiser afgewezen, aangezien niet voldoende aannemelijk is geworden dat hij vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2005.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) E. Heemsbergen.